◄ Terug naar inhoud

Voor u gelezen

L. R. Peterson, S. Boehm, J. L. Beaumont, P. A. Patel, D. M. Schora, K. E. Peterson, D. Burdsall, C. Hines, M. Fausone, A. Robicsek, B. A. Smith

Reduction of methicillin-resistant Staphylococcus aureus infection in long-term care is possible while maintaining patient socialization : a prospective randomized clinical trial

American Journal of Infection Control, pp1600-1627, 2016

Antibioticaresistentie is op de diensten voor langdurige zorg (LTCF’s, long term care facilities) een hele uitdaging. Deze studie diende aan te tonen dat een nieuw minimaal invasief interventieprogramma, dat de dagdagelijkse activiteiten niet belemmert, een besmetting met methicilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA) kan beperken. Het ging om een prospectief, cluster-gerandomiseerd en niet-geblindeerd onderzoek in 3 LTCF’s.  In jaar 1 werden de eenheden gestratificeerd per type zorg en gerandomiseerd in functie van de interventie of de controle. In jaar 2 werden alle onderzoekseenheden onderworpen aan de interventie. Die bestond uit een algemene dekolonisatie waarbij patiënten aan het begin van de interventieperiode, intranasaal mupirocine en 2 keer – met een tussenperiode van 1 maand – een chloorhexidine bad kregen. Na de initiële dekolonisatieperode werden alle opgenomen patiënten ter plaatse getest op basis van de polymerase-kettingreactie methode. Zij die MRSA-positief waren, werden gedekoloniseerd maar niet geïsoleerd.  Elk jaar kregen de eenheden instructies over handhygiëne en om de 4 maanden werden alle vlakke oppervlakken grondig schoongemaakt met bleekwater.

In totaal werden 16.773 tests uitgevoerd. Tussen de aanvangswaarde (44 infecties per 365.809 patiëntendagen) en jaar 2 (12 infecties per 287.847 patiëntendagen; P < .001), daalde het aantal MRSA infecties met 65%; in elk van de LTCF’s werd een significante daling vastgesteld (P < .03). We kunnen daaruit afleiden dat on-site MRSA-surveillance met een gerichte dekolonisatie bij LTCF-bewoners tot een significante daling van het aantal MRSA-infecties heeft geleid.

V. G. Loo ; P. Brassard ; M. A. Miller

Household transmission of Clostridium difficile to family members and domestic pets.

Infect Control Hosp Epidemiol, 37 (11) : 1 – 7, 2016

De bedoeling was het risico op overdracht van Clostridium difficile te bepalen van indexgevallen met een C. difficile-infectie (CDI) op hun huisgenoten of huisdieren.  Het ging om een prospectieve studie tussen april 2011 en juni 2013 bij patiënten met een CDI in Canadese tertiaire zorgcentra. De populatie bestond uit patiënten met een CDI, hun huisgenoten en hun huisdieren.  Aan het begin en daarna elke4 maanden werden van de deelnemers epidemiologische informatie, stoelgangstalen en rectale uitstrijkjes verzameld.  Isolaten van C. difficile werden getypeerd door pulsed-field gelelektroforese (PFGE).  Een vermoedelijke overdracht werd omschreven als bij een contact een verandering werd vastgesteld van een negatieve kweek op C. difficile naar een positieve kweek, waarbij het PFGE-patroon niet te onderscheiden was van, of nauw verbonden met het indexgeval. Een mogelijke overdracht werd omschreven als een contact met een positieve kweek op C. difficile bij de aanvangswaarde, met een stam die niet te onderscheiden was van of nauw verbonden was met het indexgeval. In totaal hebben 51 patiënten met een CDI aan de studie deelgenomen en 67 contacten tussen mensen en 15 contacten met huisdieren werden opgenomen. Bij in totaal 9 menselijke contacten (13.4%) was de C. difficile kweek positief, bij 1 contact (1.5%) heeft zich een CDI ontwikkeld en 8 contacten waren asymptomatisch. Op de 67 menselijke contacten was er bij 1 menselijk contact (1.5%) sprake van vermoedelijke overdracht en bij 5 menselijke contacten (7.5%) van mogelijke overdracht. Bij 15 contacten met huisdieren was in 3 (20%) gevallen sprake van vermoedelijke overdracht en in 1 (6.7%) geval van mogelijke overdracht. Met 13.4% was er een hoog aantal positieve C. difficile kweken bij menselijke contacten en het asymptomatisch dragerschap bij huisdieren bedroeg 26.7%.  Deze resultaten wijzen erop dat de overdracht van C. difficile binnen het gezin een bron kan zijn van gemeenschap-geassocieerde gevallen.

AF. Shorr, M.D. Zilberberg, L. Wang, O. Baser, H. Yu

Mortality and costs in Clostridium difficile infection among the elderly in the united states

Infect Control Hosp Epidemiol, 1 – 6, 2016

De bedoeling was het sterftecijfer en de kosten te onderzoeken die het gevolg waren van een Clostridium difficile infectie (CDI) onder de Medicare-populatie. Het ging om een cohortstudie bij Amerikaanse volwassenen van minstens 65 jaar oud in de periode 2008–2010 uit de Medicare-steekproef van 5%, met een opvolging van 12 maanden. Een CDI-episode was gedefinieerd door de ‘International Classification of Diseases, Ninth Revision, Clinical Modification code of 008.45’, zonder andere voorvallen in de afgelopen 12 maanden. Om de aangepaste mortaliteit en kosten te kwantificeren hebben we een 1:1 propensity-matched monster ontwikkeld van patiënten met en zonder een CDI. Van de 1.165 165 opgenomen patiënten waren er in 2009, 6.838 (0.6%) met een CDI-episode (82.5% zorggeassocieerd).  Patiënten met CDI betroffen ouderen (gemiddelde [SD] leeftijd, 81.0±8.0 vs 77.0±7.7 jaar, P<.001), kwamen hoofdzakelijk uit noordoostelijke regio’s (27.4% vs 18.6%, P<.001) en hadden een hogere comorbiditeit (Charlson score, 4.6±3.3 vs 1.7±2.1, P<.001). Hospitalisatie (63.2% vs 6.0%, P<.001) en antibiotica (33.9% vs 12.5%, P<.001) in de 90 dagen daarvoor kwamen vaker voor in de groep met CDI. In de propensity-adjusted analyse werd CDI geassocieerd met een bijna verdubbeling van zowel het sterftecijfer (42.6% vs 23.4%, P<.001) als van de totale kosten voor de geneeskundige verzorging ($64,807±$66,480 vs $38,128±$46,485, P<.001). Bij oudere patiënten wordt CDI geassocieerd met een stijging van de mortaliteit en extra kosten van de gezondheidszorg na een CDI-episode. Op nationaal vlak betekent dit jaarlijks 240.000 patiënten met CDI, 46.000 potentiële overlijdens en een kost van meer dan 6 miljard dollar.

L. Epstein, N.D. Stone, L. Laplace, J. Harper, R. Lynfield, L. Wamke, T. whitten, M. Maloney, R. Melchreit, R. Rodriguez, G. Quinlan, C. Concannon, G. Dumyati, D. L. Thompson, N. Thompson

Comparison of data collection for healthcare-associated infection surveillance in nursing homes.

Infect Control Hosp Epidemiol, pp 1440–1445, 2016

De bedoeling was de surveillance te vergemakkelijken en de overlast te beschrijven die zorggerelateerde infecties (HAI) voor verzorgingstehuizen (NH’s) betekenen.  We hebben daarvoor de kwaliteit van de door het NH-personeel en extern personeel ingezamelde gegevens vergeleken. Het ging hier om een puntprevalentiestudie van één dag. In totaal werden in de studie 9 verzorgingstehuizen, waaronder 4 sites die deel uitmaken van het project ‘Emerging Infection Program’ (EIP) van de Centers for Disease Control and Prevention (CDC), of centra voor de controle en preventie van ziektes (CDC), opgenomen. Het NH-personeel heeft gegevens ingezameld over de kenmerken van de bewoner, de klinische risicofactoren om HAI’s op te lopen en de aanwezigheid van 3 HAI selectiecriteria op de dag van het onderzoek.  Ter vergelijking zamelde speciaal opgeleid EIP-personeel dat met de surveillance was belast dezelfde gegevens in via een retrospectieve doorlichting van het medisch dossier. Datzelfde personeel heeft ook beschikbare gegevens ingezameld om HAI’s te identificeren (waarbij ze gebruik hebben gemaakt van de herziene McGeer definities). Er werd een algemene overeenkomst berekend bij de bewoners die door beide teams waren geïdentificeerd op basis van uitgekozen risicofactoren en HAI-selectiecriteria. We hebben de impact geëvalueerd van de inzet van NH-personeel om selectiecriteria over HAI-prevalentie in te zamelen. De algemene prevalentie van klinische risicofactoren bij de 1.272 bewoners was identiek tussen NH-personeel en personeel dat met de surveillance was belast maar het niveau van de positieve overeenkomst (bewoners met factoren die door beide teams waren geïdentificeerd) schommelde tussen 39% en 87%. Personeel dat met de surveillance was belast identificeerde 253 bewoners (20%) met ≥1 HAI-selectiecriteria, wat resulteerde in 67 bewoners met een HAI (5.3 per 100 bewoners).  Het NH-personeel identificeerde 152 (12%) bewoners met ≥1 HAI- selectiecriteria; 42 bewoners hadden een HAI (3.5 per 100 bewoners). We hebben verschillen vastgesteld tussen het inzamelen van de gegevens op residentieel niveau tussen het personeel dat met de surveillance was belast en het NH-personeel, wat resulteerde in verschillende schattingen inzake HAI-prevalentie. Deze resultaten hebben een belangrijke impact op de ontwikkeling en implementatie van toekomstige HAI-prevalentie-onderzoeken.

P. J. van den Broek, H. J.M. Cools, M. Wulf, P. H.A.C. Das

How much time should long term care and geriatric rehabilitation facilities (nursing homes) spendPeterhans J. van den Broek, Herman J.M. Cools, Mireille Wulf, Philo H.A.C. Das on infection control ?

American Journal of Infection Control, 38 (9) 723-725, November 2010.

Voor ziekenhuizen zijn de normen voor het vereiste aantal personeel voor infectiecontrole voorbijgestreefd en omstreden.  Deze normen zijn zelfs niet beschikbaar voor centra voor langdurige zorg en voor geriatrische revalidatie (o.a. verzorgingstehuizen). Deze studie ging na hoe veel tijd verzorgingstehuizen aan infectiecontrole moeten besteden. Via groepsgesprekken en individuele sessies hebben praktijkdeskundigen op vlak van infectiecontrole, medische microbiologen en geneesheren in verzorgingstehuizen geëvalueerd hoeveel tijd ze nodig hadden om infectiecontrole uit te voeren in een model verzorgingstehuis. Het aantal uur dat nodig was werd geschat op 513 per 100 bedden, of 154 per 10.000 verzorgingsdagen per jaar. Aangezien er grote verschillen te verwachten zijn tussen de verschillende voorzieningen die kunnen worden geïdentificeerd als verzorgingstehuizen, centra voor langdurige zorg of voor geriatrische revalidatie, maar ook tussen landen, zal de norm die wij voor Nederland voorstellen, niet overal kunnen worden toegepast. De methode die we hebben gebruikt om deze standaard te bepalen kan echter wel in andere landen en voorzieningen worden toegepast.

W. Ng, A. Faheem, A. Mc Geer, A. E. Simor, A. Gelosia, B. M. Willey, C. Watt, D. C. Richardson, H. Wong, K. Ostrowska, L. Vernich, M.P. Muller, P. Gnanasuntharam, V. Porter, K.Katz

Community- and healthcare-associated methicillin-resistant Staphylococcus aureus strains : an investigation into households transmission, risk factors and environmental contamination.

Infection Control and Hospital Epidemiology, 38 (1), january 2017

De bedoeling is de overdrachtfrequentie en de risicofactoren te meten van de verspreiding van gemeenschaps- en gezondheidszorggeassocieerde (HA) methicilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA) binnen het gezin. Het ging hier om een prospectieve cohortstudie van 4 oktober 2008 tot 3 december 2012 in zeven acute ziekenhuizen te of in de omgeving van de Canadese stad Toronto. In totaal namen 99 MRSA-gekoloniseerde of MRSA-besmette patiënten en 183 contacten binnen het gezin eraan deel.   Bij aanvang werden interviews afgenomen en drie maanden lang werden maandelijks surveillance kweken ingezameld van gezinsleden, huisdieren en van 8 voorafbepaalde intensief gebruikte locaties in de omgeving. Isolaten werden getypeerd door pulsed-field gelelektroforese en het staphylococcal cassette chromosome mec bepaling.  In totaal waren van de 183 contacten binnen het gezin, 89 (49%) MRSA gekoloniseerd, waarvan er 56 (31%) bij aanvang waren opgespoord. In 27 (40%) van de 68 opgevolgde gezinnen was sprake van MRSA-overdracht van het indexgeval naar contacten die bij aanvang negatief waren. De stammen binnen de gezinnen waren dezelfde.  Het overdrachtsrisico van HA-MRSA bedroeg 39%, vergeleken met de 40% (P=.95) voor gemeenschapsgeassocieerde MRSA. HA-MRSA-indexgevallen waren eerder ouder en hielden er meestal geen infectiecontrolepraktijken op na (P=.002-.03).  Risicofactoren voor verspreiding binnen het gezin waren de nood aan bijstand en het delen van badhanddoeken (P=.001-.03).  Besmetting van de omgeving was geïdentificeerd in 78 (79%) van de 99 gezinnen en deed zich vaker voor in HA-MRSA-gezinnen.  Overdracht binnen het gezin van gemeenschapsgeassocieerde en HA-MRSA-stammen was algemeen en het verschil in overdrachtsrisico was statistisch niet significant.

I. Jullian-Desayes, C. Landelle, M.-R. Mallaret, C. Brun-Buisson, F. Barbut.

Clostridium difficile contamination of health care workers’ hands and its potential contribution to the spread of infection : review of the literature.

American Journal of Infection Control, 45, 51-58, 2017.

Een Clostridium difficile infectie (CDI) kan van patiënt op patiënt worden overgedragen via de handen van het verzorgend personeel (HCW’s). Over het relatieve belang van deze weg in de verspreiding van C. difficile in ziekenhuizen is op vandaag evenwel niets bekend.  Wij hebben een doorlichting uitgevoerd van de studies die onderzoek verrichten naar dragerschap bij HCW’s via de handen en de mogelijke rol ervan in de overdracht van CDI. Eerst hebben we Engelstalige gegevens uit de PubMed-database doorgelicht over de afname van stalen op de handen van HCW’s.  Daarna hebben we gegevens opgevraagd bij de Outbreak Database [www.outbreak-database.com] over C. difficile infecties waarbij HCW’s zeker of vermoedelijk waren betrokken. Uiteindelijk werden gevallen van C. difficile, die zich hebben voorgedaan bij HCW’s na contact met een besmette patiënt, opgevraagd bij PubMed. In totaal werden 11 studies over dragerschap bij HCW’s via de handen uitgekozen en doorgelicht.  Tussen 0% en 59% van de handen van HCW’s bleek besmet te zijn met C. difficile na verzorging van een patiënt met CDI. Er waren een aantal verschillen tussen studies, zoals de plaats van de monstername op de hand, de tijd na het contact en de bacteriologische methodes. Er werd gewag gemaakt van slechts 2 C. difficile-epidemieën waarbij HCW’s waren betrokken en van 6 reeksen van gevallen waarbij C. difficile van patiënten op HCW’s waren overgedragen.  Uit deze doorlichting blijkt dat de handen van HCW’s een belangrijke rol kunnen spelen in de overdracht van C. difficile.  Handhygiëne en het terugdringen van omgevingsbesmetting zijn essentieel om de overdracht van C. difficile aan banden te leggen.

L. Vermeerbergen, G. Van Hootegem, J. Benders

A comparison of working in small-scale and large-scale nursing homes : a systematic review of quantitative and qualitative evidence.

International Journal of Nursing Studies, 67 : 59-70, february 2017.

Door een continu tekort aan verzorgend personeel en de vergrijzing van de bevolking, is het essentieel om werk te maken van een betere werkomgeving in de verzorgingstehuizen. Sinds de jaren 1970 zijn er steeds meer genormaliseerde en kleine verzorgingstehuizen bijgekomen waar bewoners in een familiale en huiselijke omgeving worden verzorgd. Dit betekent een betere werkomgeving voor het verzorgend personeel en een betere leefomgeving voor de bewoners. ‘Genormaliseerd’ verwijst naar de mate waarin bewoners er een dagdagelijks leven kunnen op nahouden, dat zo weinig mogelijk verschilt van dat van niet-zorgbehoevende personen. Deze studie geeft een beknopt overzicht van empirisch onderzoek, waarbij de kwaliteit van het beroepsleven – en de gevolgen ervan op vlak van werk en gezondheid – van gezondheidswerkers in genormaliseerde kleinere verzorgingstehuizen wordt vergeleken met dat in grotere verzorgingstehuizen. Daarvoor hebben we een systematische doorlichting uitgevoerd van kwalitatieve en kwantitatieve studies. De systematische literatuurstudie (april 2015) is uitgevoerd aan de hand van de elektronische databanken Pubmed, Embase, PsycInfo, CINAHL en Web of Science.  We hebben literatuurreferenties en citaten bekeken om bijkomende relevante studies te identificeren.  In de uitgekozen databases hebben we 825 studies geïdentificeerd.  Na controle van de inclusie- en exclusiecriteria, werden negen studies ter doorlichting uitgekozen.  Na het bekijken van literatuurreferenties en citaten werden nog twee extra studies toegevoegd.  Drie studies werden uitgesloten na extra informatie te hebben opgevraagd over de onderzoeksomgeving. De resultaten van de individuele studies wijzen erop dat het niveau van jobcontrole en jobvereisten (“time pressure”) hoger ligt in genormaliseerde kleinschalige tehuizen dan in de grotere verzorgingstehuizen. Volgens een aantal studies zou de sociale ondersteuning en de werkmotivatie bovendien hoger liggen, terwijl er minder risico is op burnout en stressverschijnselen in kleinere verzorgingstehuizen.  Uit andere studies blijken dan weer geen verschillen, of soms zelf tegengestelde resultaten.  De doorgelichte studies tonen aan dat deze onduidelijke resultaten kunnen worden toegeschreven aan zorgpersoneel in een aantal genormaliseerde kleinere verzorgingstehuizen, dat zich geïsoleerd voelt en voor wie de jobvereisten te hoog zijn. Deze systematische doorlichting wijst erop dat genormaliseerde kleinere verzorgingstehuizen een goed uitgangspunt zijn om de arbeidsomstandigheden in de sector van de verzorgingstehuizen te verbeteren. Door de sterkere jobcontrole kan het zorgpersoneel in genormaliseerde kleinere verzorgingstehuizen beter omgaan met de jobvereisten. Toch zou een aantal functies baat hebben bij maatregelen waarbij rekening wordt gehouden met de percepties van het zorgpersoneel dat er te weinig sociale ondersteuning is en dat de jobvereisten te hoog zijn. Meer onderzoek is nodig rond strategieën om de dagdagelijkse omstandigheden op de werkplek in genormaliseerde kleinere structuren te verbetere.

M. E. Evans, S. M. Kralovic, L.A. Simbartl, R. Jain, G. A. Roselle

Eight years of decreased methicillin-resistant Staphylococcus aureus health care-associated infections associated with a Veterans Affairs prevention initiative.

American Journal of Infection Control, 45 : 13-16, 2017.

Voordien werd reeds melding gemaakt van een daling van de zorggerelateerde infecties (HAI’s) bij de verzorging van methicilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA) op de dienst acute zorg van het department Veteran’s Affairs (2012), de dienst ruggenmergletsel (SCIU) (2011) en de diensten voor langdurige zorg (LTCF’s) (2012).  Hier brengen we verslag uit van een continue daling van het aantal infecties binnen die instellingen in september 2015.  Aan de hand van negatief binomiale regressie-modellen werd de tendens gemeten van gegevens die maandelijks werden ingevoerd in de nationale database van 127 instellingen voor acute zorg, 22 SCIU’s en 133 LTCF’s.  Het ging om 23.153.240 patiënt-dagen op intensieve zorgeenheden (IZE) en niet-IZE, en 1.794.234 residentie-dagenin LTCF’s van juli 2009 tot december 2015. Het aantal nasale uitstrijkjes bij opname bedroeg op de drie diensten meer dan 92%. De prevalentie bij opname tijdens de studie schommelde tussen 13,2 %-13,5 % in de acute diensten, tussen 35,1 % -32,0 % in de SCIU’s en tussen 23,1 %-26 % in de LTCF’s. Het maandelijkse HAI-cijfer daalde met 87 % in de IZE, met 80,1% in de niet-IZE,  met 80,9% in de SCIU’s en met 49.4% in de LTCF’s (alle P-waarden <.0001 voor de tendens). In de loop van september 2015 werd over het hele land melding gemaakt van 2 HAI’s met MRSA in IZE’s, 20 (waarvan 3 in SCIU’s) in niet-IZE’s en 31 in LTCF’s.  We leidden daaruit af dat tijdens de 8 jaar durende MRSA preventiecampagne van het department Veteran’s Affairs, het aantal HAI’s met MRSA significant daalde in de instellingen voor acute zorg, de SCIU’s en LTCF’s.

A. L. Gucwa,V. Dolar, C. Ye, S. Epstein

Correlations between quality ratings of skilled facilities and multi-drug resistant urinary tract infections.

American Journal of Infection Control, 44 (11) : 1256-1260, 2017

De bedoeling van deze studie was om bij bewoners van gespecialiseerde verzorgingstehuizen (SNF’s) de risicofactoren te bepalen om infecties van de urinewegen (UTI’s) en multidrug-resistente organismen (MDRO’s) op te lopen. Op basis van de database van de Centers for Medicare and Medicaid Services (CMS) werd een logistische regressie uitgevoerd op 1.523 urinekweken afkomstig van 12 SNF’s in Long Island, New York. Op de 1.142 positieve urinekweken was Escherichia coli het meest prevalent.  Van alle UTI’s werden 164 (14.4%) bovendien toegeschreven aan een MDRO. In een multivariate logistische regressie bepalen het geslacht en de algemene kwaliteitsbeoordeling het al dan niet optreden van UTI’s, terwijl de identificatie van MDRO’s afhankelijk was van de zorgkwaliteit. De gemiddelde probabiliteit dat UTI’s optraden en dat besmette monsternames werden geïsoleerd was omgekeerd afhankelijk van de beoordeling van de voorziening, terwijl de probabiliteit toenam naarmate de algemene kwaliteitsbeoordeling daalde. We leidden daaruit af dat het kwaliteitsbeoordelingssysteem van de CMS’s informatie kan geven over de praktijken inzake infectiecontrole in SNF’s. De resultaten van deze studie wijzen erop dat potentiële gebruikers vooral aandacht moeten hebben voor de algemene kwaliteitsmerken en de vakbekwaamheid van het zorgpersoneel in deze voorzieningen, en in mindere mate voor individuele kwaliteitsmaatregelen.

◄ Terug naar inhoud

Wetenschappelijke agenda

  • Oktober 2019
  • van 2/10 tot 6/10 || in Washington
    Infectious Diseases Society (Id)WEEK
  • 3/10
    Colloque Hygiène
  • November 2019
  • 28/11
    Symposium BICS
  • December 2019
  • van 16/12 tot 17/12 || in Parijs
    39ème Réunion Interdisciplinaire de chimiothérapie anti-infectieuse (RICAI)
Bekijk de volgende evenementen

Schrijf ook een artikel !

Vacatures

Onze partners

Flux RSS

Subscribe

REDACTIE

Ontdek de andere online nummers van het tijdschrift

Het volledige archief

Ontdek onze speciale dossiers

Uitwisseling van ervaringen