◄ Terug naar inhoud

Voor u gelezen

Fram D, Okuno MF, Taminato M, Ponzio V, Manfredi SR, Grothe C, Belasco A, Sesso R, Barbosa D

Risk factors for bloodstream infection in patients at a brazilian hemodialysis center : a case-control study

BMC Infect. Di., 15 :158, Mar 2015
Infecties zijn één van de belangrijkste oorzaken van morbiditeit en mortaliteit bij patiënten die een niervervangende therapie volgen. Het aantal septicemieën bij hemodialysepatiënten hangt af van het type veneuze toegang dat wordt gebruikt. Gram-positieve bacteriën worden het meest frequent geïsoleerd in bloedkweken van hemodialysepatiënten. Deze studie evalueerde de risicofactoren voor hemodialysepatiënten om een septicemie op te lopen.

Voor het onderzoek naar de risicofactoren geassocieerd met septicemieën bij hemodialysepatiënten werd gebruik gemaakt van een case control-studie die tussen januari 2010 en juni 2013 is gevoerd. Chronische hemodialysepatiënten met een positieve bloedkweek tijdens de studie werden beschouwd als “cases”. De controlegroep bestond uit hemodialysepatiënten uit dezelfde instelling zonder positieve bloedkweek tijdens de studieperiode. De gegevens werden verzameld op basis van medische dossiers. Voor de statistische analyse werd gebruik gemaakt van de logistische regressie. Honderd tweeënzestig patiënten werden in de studie opgenomen (waarvan 81 in de studiegroep en 81 in de controlegroep). Gram-positieve bacteriën werden het meest frequent (72%) geïsoleerd. In de initiële logistische regressieanalyse waren de variabelen hypertensie, peritoneale dialyse met een eerdere behandeling, type en duur van de huidige veneuze toegang, type van de vorige veneuze toegang, eerder gebruik van antibiotica en hospitalisatie in het verleden omwille van septicemieën. Uit de meervoudige regressieanalyse bleek dat patiënten met een centraal veneuze katheter 11,.2 keer (CI 95%: 5,17-24,29) meer kans hadden een septicemie op te lopen dan patiënten met een arterioveneuze fistel als vaattoegang. Eerdere hospitalisatie verhoogde de kans op een septicemie met een factor 6,6 (CI 95%: 1,9-23,09).

We kunnen dus stellen dat maatregelen om septicemieën te voorkomen die gerelateerd zijn aan het gebruik van de centraal veneuze katheter moeten worden versterkt, en dat omzichtig moet worden omgesprongen met deze vaattoegang voor hemodialyse. Ook het beperken van de blootstelling aan de ziekenhuisomgeving door opname kan helpen om het aantal gevallen van septicemie bij deze populatie te beperken.

Marsh N, Webster J, Mihala G, Rickard CM

Devices and dresssings to secure peripheral venous catheters to prevent complications

Cochrane Database Systematic Review, 6, June 2015.
Een perifeer ingebrachte centraalveneuze katheter (PICC) wordt meestal gebruikt voor de kortstondige intravasculaire toediening van vloeistofen of medicatie. De PICC is de meest gebruikte invasieve procedure in ziekenhuizen en dus niet meer weg te denken uit de moderne geneeskunde. Tijdens de behandeling vertonen PICC’s echter nog vaak gebreken: soms is de katheter niet correct aan de huid vastgemaakt waardoor hij loskomt, wat kan leiden tot complicaties zoals flebitis (irritatie of ontsteking van de bloedvatwand), infiltratie (vloeistof die gaat lekken in de omliggende weefsels) of occlusie (blokkering). Een niet-correct bevestigde PICC verhoogt ook het risico op kathetergerelateerde septicemieën (CRBSI) aangezien de pistonwerking (heen- en weer schuiven in het bloedvat) van de katheter de migratie van organismen langs de katheter en in de bloedbaan kan veroorzaken. Ondanks de vele beschikbare verbanden en bevestigingssystemen bestaat nog altijd veel onduidelijkheid over de impact van de verschillende bevestigingstechnieken op het verhogen van de levensduur van de PICC ; een systematisch overzicht van recente studies kan voor clinici als leidraad dienen.

Doelstelling is het evalueren van de impact van PICC-verbanden en -bevestigingssystemen op de incidentie van PICC-falen.

Om artikels van relevante gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken (RCT’s) te identificeren hebben we volgende elektronische databanken doorgelicht: het register van de Cochrane Wounds Group (opzoeking van 8 april 2015): het Cochrane centrale register van gecontroleerde studies (CENTRAL; 2015, nr. 3), Ovid MEDLINE (1946 tot 7 maart 2015), Ovid MEDLINE (Lopende en andere niet-geïndexeerde citaten, 7 maart 2015), Ovid EMBASE (1974 tot 7 maart 2015) en EBSCO CINAHL (1982 tot 8 maart 2015). Selectiecriteria waren: RCT of cluster RCT die verbanden of bevestigingsmateriaal voor de stabilisatie van PICC vergeleken Cross-over studies waren niet geschikt voor inclusie, tenzij data van de eerste behandelingsperiode kon worden bekomen.

Twee auteurs hebben onafhankelijk van elkaar de studies geselecteerd, de kwaliteit van de tests geëvalueerd en de gegevens geëxtraheerd. We hebben contact opgenomen met de auteurs van de studie voor bijkomende informatie. We hebben gebruik gemaakt van de door Cochrane opgelegde methodologische standaard procedures.

De belangrijkste resultaten waren de volgende: we hebben in dit onderzoek 6 RCT’s (1539 deelnemers) opgenomen. De studies telden 50 tot 703 deelnemers. Bij deze zes onderzoeken werden vier vergelijkingen gemaakt: transparante verbanden vs. gaasverbanden; transparante verbanden met boord vs. beveiligingssysteem; transparante verbanden met boord vs. tape; en transparante verbanden vs. pleisters. Er is weinig evidentie dat er minder katheters loskomen of per ongeluk worden losgemaakt met transparante verbanden dan met gaasverbanden (twee studies, 278 deelnemers, RR 0,40; 95% CI 0,17 to 0,92, P = 0,03%). De relatieve impact van transparante verbanden en gaasverbanden op flebitis (RR 0,89; 95% CI 0,47 tot 1,68) en infiltratie (RR 0,80; 95% CI 0,48 tot 1,33) zijn onduidelijk. De relatieve gevolgen op het PICC-falen bij transparante verbanden met boord en bij een beveiligingssysteem werden slechts in één enkele kleine studie geëvalueerd en waren bovendien onduidelijk. Er was zeer weinig evidentie van diezelfde studie voor minder loskomen of per ongeluk losgemaakt worden van de katheter bij transparante verbanden met boord dan bij een beveiligingssysteem (RR 0,14, 95% CI 0,03 tot 0,63), en meer flebitis bij verbanden met boord (RR 8,11, 95% CI 1,03 tot 64,02) (zeer weinig evidentie). Een enkele kleine studie maakte een vergelijking tussen verbanden met boord enerzijds en tape anderzijds. Ook hier was weinig evidentie voor een hoger PICC-falen bij verbanden met boord (RR 1,84, 95% CI 1,08 tot 3,11). De relatieve impact op het loskomen van de katheter daarentegen waren niet duidelijk (zeer weinig evidentie). De relatieve gevolgen van transparante verbanden en pleisters werden slechts in een énkele kleine studie vergeleken en de gevolgen waren onduidelijk. Meer kwalitatieve RCT’s zijn nodig om de relatieve gevolgen te bepalen van alternatieve PICC-verbanden en beveiligingssystemen.

We kunnen stellen dat het niet duidelijk is of één bepaald verband of beveiligingssysteem beter is dan een ander voor de beveiliging van perifeer ingebrachte centraal veneuze katheters. Nieuwe kwalitatief hoogstaande onafhankelijke studies zijn nodig om zowel de vele traditionele, als de nieuwere veel gebruikte producten te evalueren. Rekening houdend met de grote prijsverschillen tussen verbanden en beveiligingssystemen, moet ook een degelijke kosten-batenanalyse deel uitmaken van toekomstige onderzoeken.

Hermon A, Pain T, Beckett P, Jerrett H, Llewellyn N, Lauwrence P, Szakmany T

Improving compliance with central venous catheter care bundles using electronic records

Nurs. Crit. Care, May 13 2015
Zorginfecties zijn één van de belangrijkste oorzaken van vermijdbare ongemakken die patiënten in moderne verzorgingsinstellingen kunnen oplopen. Recente publicaties laten uitschijnen dat elektronische checklists voor het documenteren van een zorgbundel de naleving van gedocumenteerde processen aanzienlijk kunnen verhogen en kunnen helpen om het aantal kathetergerelateerde septicemieën te doen dalen. Dit artikel beschrijft het gebruik van onze elektronische tool voor het opvolgen van en het feedback geven over het naleven van processen, gekoppeld aan de invoering van bundels voor het inbrengen van centraal veneuze katheters (CVC), om op die manier de kathetergerelateerde septicemieën op de afdeling intensieve zorgen van een middelgroot algemeen regionaal ziekenhuis aan te pakken. We hebben een programma ingevoerd voor de continue kwaliteitsverbetering met ‘Plan-Do-Study-Act’ cycli. De zorgbundel voor het inbrengen van en de zorg aan een CVC is in 2007 uitgerold. Om het naleven van de richtlijnen uit de bundel op te volgen werd een elektronisch systeem ontwikkeld als onderdeel van het klinisch informatiesysteem aan het bed van de patiënt. Sinds 2009 wordt trimestrieel verslag uitgebracht over het aantal ingebrachte centraalveneuze katheters, de naleving van de bundel voor het inbrengen en de zorg en over het aantal kathetergerelateerde septicemieën. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de gegevens die worden ingezameld via het klinisch informatiesysteem. We hebben tevens van speciale karretjes voor het inbrengen van de katheters geïntroduceerd, evenals in de fabriek vervaardigde plaatsingssets. We hebben gebruik gemaakt van een gesegmenteerde regressie-analyse om de wijzigingen in het aantal kathetergerelateerde septicemieën, vóór en na de implementatie van de bundel, te evalueren.

Het naleven van de bundel nam toe tijdens de implementatieperiode, om binnen de 6 maanden meer dan 95% te bedragen. We hebben een significante daling van het aantal kathetergerelateerde septicemieën vastgesteld van 15,6/1000 dagen tot 0,4/1000 dagen. Uit de regressieanalyse bleek dat enkel de naleving een effect had op het aantal en de prevalentie van kathetergerelateerde septicemieën.

De invoering van evidence-based zorgbundels, gekoppeld aan een real-time feedback over de prestaties van de zorgverstrekkers kan het aantal kathetergerelateerde septicemieën op een eenheid intensieve zorgen aanzienlijk beperken. Voor een kwaliteitsverbeteringsproces is het essentieel dat het veranderingsproces naadloos en met zo weinig mogelijk administratieve formaliteiten in de workflow opgaat.

Curto-Garcia N, Garcia-Suarez J, Callejas Chavarria vM, Gil Fernadez JJ, Martin Guerrero Y, Magro Mazo E, Marcellini Antonio S, Juarez LM, Guttierez I, Arranz JJ , Montalvo I, Elvira C, Dominguez P, Diaz MT, Burgaleta C

A team-based multidisciplinary approach to managing peripherally inserted central catheter complications in high-risk haematological patients : a prospective study.

Support Care Cancer, May 3 2015
Het gebruik van perifeer ingebrachte centraalveneuze katheters (PICCs) is de laatste tien jaar enorm toegenomen.

Toch bestaan er weinig studies over het gebruik van PICC’s bij patiënten met hematologische ziektes die intensieve chemotherapie ondergaan. Voorlopige gegevens doen vermoeden dat er zich bij deze hoogrisicopatiënten meer PICC-gerelateerde complicaties voordoen. Deze prospectieve observationele monocentrische studie heeft onderzoek gevoerd naar PICC-gerelateerde complicaties na de invoering van een multidisciplinaire aanpak van de zorg aan een PICC en heeft die vergeleken met bestaande literatuur.

In totaal werden 44 PICC’s ingevoerd bij 36 patiënten (27,3 %, trombocytopenie <50 × 10(9)/L bij plaatsing) met een totaal van 5045 PICC dagen (mediane duurtijd: 114.5 dagen).

We hebben geen noemenswaadige complicaties bij het plaatsen vastgesteld.
De belangrijkste laattijdige complicaties waren verstopping bij 13.6 % van de patiënten (1,19/1000 PICC dagen), kathetergerelateerde septicemieën bij 6.8 % van de patiënten (0,59/1000 PICC dagen) en kathetergerelateerde trombose bij 4,5 % van de patiënten (0,39/1000 PICC dagen). Het vroegtijdig verwijderen van de PICC deed zich voor bij 34 % van de patiënten (2,97/1000 PICC dagen). In vergelijking met vorige studies was het globale percentage potentieel gevaarlijke complicaties bijzonder laag (11,36 %, 0,99/1000 PICC dagen).

Deze studie onderstreept het nut van een multidisciplinaire aanpak voor behandelingen met een PICC bij volwassenen met een hematologische ziekte die intensieve chemotherapie ondergaan. We zullen verdere gegevens verstrekken voor de ondersteuning van het gebruik van PICC’s bij dit type patiënten.

Lorente L, Lecuona M, Jimenez A, Lorenzo L, Santacreu R, Ramos S, Hurtado E, Buitrago M, Mora ML

Efficiency of chlorhexidine-silver sulfadiazine-impregnated venous catheters at subclavian sites

American Journal of Infection Control, April 29 2015
Uit een kosteneffectiviteitsanalyse blijkt dat chloorhexidine-zilver sulfadiazine (CHSS) geïmpregneerde katheters het aantal kathetergerelateerde septicemieën (CRBSI) en de centraal veneuze katheter (CVC)-gerelateerde kosten beperken. Geen enkele studie heeft evenwel de efficiëntie aangetoond van CHSS-geïmpregneerde katheters op het veneuze toedieningssysteem wanneer het CRBSI-risico gering is; bv. wanneer de katheter wordt ingebracht in de vena subclavia. Deze studie heeft de kost bepaald van een CVC, een CRBSI-diagnose en van de antimicrobiële middelen om CRBSI te behandelen. Met de kosten van een verlengd ziekenhuisverblijf werd geen rekening gehouden.

Deze retrospectieve studie had betrekking op patiënten op de dienst intensieve zorgen van het Hospital Universitario de Canarias (Tenerife, Spanje), bij wie een katheter in de vena subclavia.

Patiënten met CHSS-katheters (n = 353) hadden eenlagere incidentiedensiteit van CRBSI (2,12 vs 0 op 1000 katheterdagen ; P = 0,02) en lagere CVC-gerelateerde kosten per katheterdag (3,35 ± 3,75 vs 3,94 ± 9,95; P = 0,002) dan patiënten met standaard katheters (n = 518). CHSS-geïmpregneerde katheters werden geassocieerd met een lager risico op CRBSI (exacte logistische regressie ) (odds ratio, 0,10; 95% betrouwbaarheidsinterval, -∞ tot 0,667; P = 0,008) dan standaard katheters, wanneer rekening wordt gehouden met de verblijfsduur van de katheter. CHSS-geïmpregneerde katheters worden ook geassocieerd met een lagere CVC-gerelateerde kost per katheterdag in vergelijking met standaard katheters (Poisson regressie) (odds ratio, 0,85; 95% betrouwbaarheidsinterval, 0,001-0,873; P < 0,001).

We kunnen dus stellen dat CHSS-geïmpregneerde katheters efficiënt kunnen zijn bij de preventie van CRBSI bij patiënten met een katheter in de vena sublcavia.

Entesari-Tatafi D, Orford N, Bailet MJ, Chonghaile MN, Lamb-Jenkins J, Athan E

Effectiveness of a care bundle to reduce central line-associated bloodstream infections

Med. J Aust., Mar 16 2015
Deze studie wil nagaan in hoeverre een zorgbundel, met een vernieuwde procedure voor de surveillance van de katheter efficiënt is voor het beperken van het aantal centrale kathetergerelateerde septicemieën (CLABSI) op een intensieve zorgeenheid (ICU). Op basis van CLABSI gegevens die zijn gemeld aan het systeem voor de surveillance van gezondheidszorggerelateerde infecties van het ziekenhuis van Victoria (VICNISS) hebben we een voor- en nastudie uitgevoerd bij volwassen patiënten die tussen 1 juli 2006 en 30 juni 2014 zijn opgenomen op een intensieve zorgeenheid in een regionaal ziekenhuis in Victoria. De door het VICNISS gerapporteerde CLABSI-gevallen werden ter controle nagezien. In 2009 werd een interventie uitgevoerd. Het ging hier concreet om de invoering van een zorgbundel in 2009. Deze zorgbundel omvatte een procedure voor het inbrengen van de katheter en een nieuwe procedure voor de zorg aan de katheter, bestaande uit het gebruik van een biopatch, een dagelijkse wasbeurt van de patiënt met 2% chlorhexidine, een dagelijkse controle van de centrale katheter en opvolging van de centrale katheters door een referentieverpleegkundige.

Als outcome-variabele werd in deze studie het aantal CLABSI gevallen bepaald als gevallen per 1000 katheterdagen). Het gemiddelde aantal CLABSI-gevallen is gedaald van 2,2/1000 centrale katheterdagen (piek van 5,2/1000 centrale katheterdagen in 4de trimester, 2008) tijdens de periode vóór de interventie, naar 0,5/1000 centrale katheterdagen (0/1000 centrale lijn dagen van juli 2012 tot juli 2014) tijdens de periode na de interventie.

Onze studie doet vermoeden dat deze zorgbundel, die gebruik maakt van een nieuw zorgprotocol, het aantal CLABSI-gevallen effectief kan beperken en na 2 jaar op nul kan brengen.

Paglialonga F, Consolo S, Biasuzzi A, Assomou J, Gattarello E, Patricelli MG, Giannini A, Chidini G, Napolitano L, Edefonti A.

Reduction in catheter-related infections after switching from povidone-iodine to chlorhexidine for the exit-site care of tunneled central venous catheters in children on hemodialysis

Hemodial Int.,Suppl 1:S13-8, October 18 2015
Heel weinig studies hebben onderzoek verricht naar de beste manier om de insteekplaats van getunnelde centraal-veneuze katheters (CVCs) bij pediatrische hemodialysepatiënten (HD) te verzorgen. Deze studie evalueert de efficiëntie van chloorhexidine oplossingen en van een 5% povidonjodium oplossing op de incidentie van CVC-gerelateerde infecties bij kinderen die HD krijgen. De incidentie van infecties van de insteekplaats (ESI), infecties van de tunnel (TI) en septicemieën (BSI) werd geëvalueerd in twee groepen getunnelde CVC’s. De povidonjodium groep bestond uit 14 CVC’s die waren gebruikt tussen 1 januari 2011 en 30 juni 2012 bij 10 kinderen met een mediane leeftijd op het ogenblik van de plaatsing van de CVC van 11.8 jaar (tussen 1,2 en 19,2): voor de verzorging van de CVC insteekplaats werd gebruik gemaakt van 5% povidonjodium. Van 1 augustus 2012 tot 31 januari 2014 werd 0,5% chloorhexidinegluconaat/70% isopropylalcohol gebruikt voor de insteekplaats en 2% chloorhexidinegluconaat/70% isopropylalcohol spray voor de hub bij 13 CVC’s van 10 patiënten (chloorhexidine groep), met een mediane leeftijd op het ogenblik van de plaatsing van de CVC van 10 jaar (tussen 1,2 en 19,2). Tien ESI episodes werden vastgesteld bij de povidonjodium (incidentie 3,4/1000 CVC dagen) en slechts één in de chloorhexidine groep (incidentie 0,36/1000 CVC dagen, P = 0,008). Eén TI was vastgesteld in de povidonjodium groep (0,34/1000 CVC dagen), en geen enkele in de chloorhexidine groep. De incidentie van BSI’s daalde van 1,7/1000 CVC dagen (5 gevallen) naar 0,36/1000 CVC dagen (1 geval, P = 0,06) nadat chloorhexidine werd gebruikt. In de povidonjodium groep hebben we twee CVC’s verloren als gevolg van CVC-gerelateerde infecties, terwijl er in de chloorhexidine groep geen CVC’s verloren zijn gegaan. In vergelijking met de 5% povidonjodium werd het gebruik van chloorhexidinegluconaat geassocieerd met een daling van de incidentie van ESI, TI en BSI bij kinderen die behandeld worden met HD.

McAlearny AS, Hefner JL

Facilitating central line-associated bloodstream infection prevention : a qualitative study comparing perspectives of infection control professionnals and front line staff.

American Journal of Infection Control, 42(10 Suppl) : S216-222, October 2015
Professionals inzake infectiecontrole (ICP’s) zijn essentieel bij de toepassing en het beheer van interventies om het aantal zorginfecties te beperken, terwijl het personeel op het terrein verantwoordelijk is voor de rechtstreekse en continue zorgverstrekking aan de patiënt. Met deze studie wilden we nagaan of de ICP’s en het personeel op het terrein er verschillende visies op nahouden over de facilitatoren en uitdagingen rond het programma om centrale kathetergerelateerde septicemieën (CLABSI) te beperken. We hebben interviews afgenomen met goed geplaatste informanten in 8 ziekenhuizen die hebben deelgenomen aan het zogenaamde initiatief van het ‘Agency for Healthcare Research and Quality’ rond CLABSI preventie: “On the CUSP: Stop BSI.” We hebben interviewgegevens geanalyseerd van 50 verpleegkundigen op het terrein en van 26 ICP’s om gemeenschappelijke thema’s te identificeren die te maken hadden met facilitatoren en uitdagingen uit het programma. We hebben 4 facilitatoren uit het CLABSI-programma geïdentificeerd die het succes kunnen bepalen: opleiding, leadership, gegevens en consistentie. We hebben ook 3 gemeenschappelijke uitdagingen geïdentificeerd: gebrek aan middelen, andere prioriteiten en weerstand bij artsen. De visies van ICP’s en verpleegkundigen op het terrein waren niet altijd dezelfde. Terwijl ICP’s eerder gericht waren op algemene beschrijvingen, legde het personeel op het terrein de nadruk op de specifieke aspecten uit het programma en werden vaak concrete voorbeelden besproken.

Onze resultaten wijzen erop dat ICP’s, bij het toepassen van infectiecontrole en van ruimere initiatieven om de kwaliteit te verbeteren, rekening moeten houden met de visies van de verpleegkundigen op het terrein. Bovendien kan het doelbewust betrekken van het personeel op het terrein bij de implementatie van die programma’s essentieel zijn voor het welslagen ervan.

Zakarioudakis IM, Zervou FN, Avanitis M, Ziakas PD, Mermel LA, Mylonakis E.

Antimicrobial lock solutions as a method to prevent central line-associated bloodstream infections : a meta-analysis of randomized controlled trials.

Clin Infect Dis., 15 ; 59 (12) : 1741-9, December 2014
Antimicrobiële oplossingen voor IV-slotjes zijn mogelijks een efficiënte strategie om kathetergerelateerde infecties te vermijden. Toch is de onzekerheid omtrent de efficiëntie en veiligheid ervan nog groot. Om de efficiëntie na te gaan van de antimicrobiële slotjes als therapie om centrale kathetergerelateerde septicemieën (CLABSI) te vermijden, hebben we een systematische doorlichting gedaan van PubMed, EMBASE, het Cochrane Central Register of Controlled Trials en clinicaltrials.gov, van bij het begin tot in 31 december 2013. Gerandomiseerde studies die antimicrobiële oplossingen voor IV-slotjes vergeleken met heparine kwamen in aanmerking indien ze een passende definitie gaven van de infectie.

De 23 opgenomen studies bevatten gegevens over 2896 patiënten. Het ging daarbij hoofdzakelijk om volwassen hemodialysepatiënten (16/23 studies), maar ook om volwassen en pediatrische oncologische patiënten, ernstig zieke pasgeborenen en patiënten die totale parenterale voeding kregen. Het gebruik van antimicrobiële oplossingen voor IV-slotjes leidde tot 69% minder CLABSI-gevallen (RR=0,31, 95% betrouwbaarheidsinterval (CI) 0,24-0,40) en een daling met 32% van het aantal infecties van de insteekplaats (RR=0,68, 95%CI 0,49-0,95) in vergelijking met heparine, zonder significante invloed op het falen van de katheter door niet-infectueuze complicaties (RR=0,83, 95%CI 0,65-1,06). Tussen beide groepen was er geen verschil wat het sterfterisico in het algemeen betreft (RR=0,84, 95%CI 0,64-1,12). Noch het type antimicrobiële oplossing, noch de bestudeerde populatie hadden een invloed op de relatieve afname van het aantal CLABSI-gevallen, dat ook significant blijft in studies die melding maken van infectiepercentages bij aanvang van minder dan 1,15/1000 katheterdagen en studies met gegevens over kathetergerelateerde septicemieën. Publicatie-bias en een selectieve ‘reporting bias’ zijn een probleem in onze studie en moeten dus ook als dusdanig worden erkend.

Antimicrobiële oplossingen voor IV-slotjes zijn efficiënt voor het verminderenvan het risico op CLABSI en dit effect lijkt bovenop de traditionele preventiemaatregelen te komen.

Dumyati G, Concannon C, van Wijngaarden E , Love TM, Graman P, Pettis AM, Greene L, El-Daher N, farnworth D, Quinlan G, Karr G, Ward L, Knab R, Shelly M.

Sustained reduction of central line-associated bloodstream infections outside the intensive care unit with a mulimodal intervention focusing on central line maintenance.

Am J Infect Control, 42 (7) : 723-30, July 2014
Buiten de intensieve zorgeenheden (IZ) worden centraal-veneuze katheters vaak gebruikt, maar naar preventie in deze omgeving is nog weinig onderzoek verricht. We zijn een surveillance opgestart voor centrale kathetergerelateerde septicemieën (CLABSI’s) buiten de IZ en we hebben de impact bestudeerd van een multimodale interventie op de incidentie van CLABSI’s in verschillende ziekenhuizen.

Dit project was opgevat als een prospectieve pre- en post interventiestudie. Het project bestaat uit 3 fasen (pre-interventie [basislijn], interventie en postinterventie) gespreid over een periode van 4,5 jaar (2008-2012) en liep in 37 niet-intensieve zorgeenheden voor volwassenen in 6 ziekenhuizen in de streek rond Rochester, New York. De interventie had betrekking op de betrokkenheid van het verplegend personeel en leiderschap, bijscholing van het personeel rond de verzorging van de centrale katheter, evaluatie van de vaardigheden, audits rond het verzorgen van de centrale katheter en regelmatige feedback over de CLABSI-cijfers. De trimestriële cijfers werden in de tijd getoetst aan de implementatie van de interventie.

Het globale CLABSI-cijfer voor alle deelnemende eenheden daalde van 2,6/1000 katheterdagen pre-interventie naar 2,1/1000 kathteterdagen tijdens de interventie en naar 1., /1000 katheterdagen na de interventie, een daling met 50% dus (95% betrouwbaarheidsinterval 0,40-0,59) in vergelijking met de pre-interventie periode (P = 0,0179).

We kunnen stellen dat een gedifferentieerde aanpak die zowel de adaptieve als technische aspecten van de zorgverstrekking combineert, en dus ook de betrokkenheid van het personeel op het terrein, opleiding, uitvoering van beste praktijken en de evaluatie van zowel processen als resultaatgerichte maatregelen, een efficiënte strategie kan zijn om het aantal CLABSI’s buiten de IZ te beperken.

Cartier V, Haenny A, Inan C, Walder B, Zingg W.

No association between ultrasound-guided insertion of central venous catheters and bloodstream infection ; a prospective observational study.

Hosp. Infect., 87(2) : 103-8, June 2014
Echografische geleiding bij het plaatsen van centraal-veneuze katheters (CVC’s) beperkt het aantal mechanische complicaties en verkort de inbrengtijd maar de impact op de kathetergerelateerde septicemieën (CLABSI) blijft voor controverse zorgen. Deze studie onderzoekt het effect van het plaatsen van CVC’s onder echografische geleiding op CLABSI’s binnen een ziekenhuisomgeving. In een centrum voor tertiaire zorgverlening dat verbonden was aan een universiteit werd een 4 jaar durende prospectieve cohortstudie uitgevoerd. Alle patiënten met een ongetunnelde CVC die door een anesthesist was geplaatst werden geïncludeerd. De kathetersurveillance gebeurde door verpleegkundigen gespecialiseerd in infectiecontrole en werden gedubbelcheckt door een geneesheer gespecialiseerd in infectiecontrole. Het primaire resultaat was CLABSI zoals gedefinieerd door de Amerikaanse Centers for Disease Control and Prevention. Het secundaire resultaat was het globaal sterfterisico tot 28 dagen na het verwijderen van de CVC. In totaal hebben we 2312 patiënten met 2483 CVC’s opgenomen en geanalyseerd. Echografische geleiding werd gebruikt bij het plaatsen van 844 CVC’s (34,0%), met een significant toenemende trend tijdens de studieperiode [incidentieratio 1,13, 95% betrouwbaarheidsinterval (CI) 1,11-1,15; P < 0,001]. We hebben 47 CLABSI’s geïdentificeerd, goed voor een algemene incidentie van 2,1 episodes per 1000 katheterdagen. We hebben geen verband kunnen vaststellen tussen echografische geleiding en CLABSI (toevalsratio 0,69, 95% CI 0,36-1,30; P = 0,252). Het globaal sterfterisico bedroeg 11,0% (253/2312), zonder significante trend en zonder verband met echografische geleiding.

We kunnen stellen dat echografische geleiding geen effect had op CLABSI of mortaliteit. In een ziekenhuisomgeving met CLABSI-cijfers die gangbaar zijn voor geïndustrialiseerde landen, biedt het gebruik van echografische geleiding geen meerwaarde voor de preventie van CLABSI.

Sandora TJ, Graham DA, Conway M, Dodson B, Potter-Bynoe G, Margossian SP.

Impact of needleless connector change frequency on central line-associated bloodstream infection rate.

Am J Infect Control, 42(5) ; 485-9, May 2014
Septicemie is de meest courante pediatrische zorginfectie en is sterk geassocieerd met het gebruik van katheters. Deze infecties verhogen de kost van een ziekenhuisverblijf aanzienlijk. Om het verband te evalueren tussen de frequentie waarmee een naaldloze connector (NC) wordt gewisseld en het aantal centrale kathetergerelateerde septicemieën (CLABSI), hebben we het maandelijkse aantal CLABSI’s op de pediatrische dienst stamceltransplantatie (SCT) in 3 periodes gemodelleerd: een basislijnperiode tijdens dewelke de NC om de 96 uur werden gewisseld, ongeacht de infusievloeistof (periode 1); een testperiode waarin de NC om de 24 uur werden gewisseld bij bloed- of lipideninfusie (periode 2) en opnieuw een NC wissel om de 96 uur ongeacht de infusievloeistof (periode 3). Gegevens over potentiële vertekenendefactoren werden achteraf ingezameld. Om de SCT CLABSI cijfers tijdens elke periode te vergelijken, met aanpassing voor potentiële vertekenendefactoren, werd gebruik gemaakt van autogecorreleerde gesegmenteerde regressiemodellen. De CLABSI cijfers werden ook geëvalueerd voor een niet-equivalente controlegroep (dienst oncologie) waarin de NC om de 24 uur werden vervangen met gebruik van bloed- of lipideninfusie in perioden 2 en 3. Het aantal SCT CLABSI bedroeg 0,41, 3.,6 en 0,03 per 1000 centrale katheterdagen in periodes 1, 2 en 3. In multivariabele analyse was het CLABSI cijfer significant hoger in periode 2, in vergelijking met zowel periode 1 (P = 0,01) als periode 3 (P = 0,003). Op de dienst oncologie daarentegen waren de CLABSI cijfers niet significant verschillend tussen de periodes.

We kunnen dus stellen dat het om de 24 uur vervangen van een naaldloze connector bij bloed- of lipideninfusie bij SCT patiënten op pediatrie wordt geassocieerd met verhoogde CLABSI-cijfers. De nationale aanbevelingen inzake de frequentie waarmee een NC wordt gewisseld moeten worden verduidelijkt.

◄ Terug naar inhoud

Wetenschappelijke agenda

  • Oktober 2019
  • van 2/10 tot 6/10 || in Washington
    Infectious Diseases Society (Id)WEEK
  • 3/10
    Colloque Hygiène
  • November 2019
  • 28/11
    Symposium BICS
  • December 2019
  • van 16/12 tot 17/12 || in Parijs
    39ème Réunion Interdisciplinaire de chimiothérapie anti-infectieuse (RICAI)
Bekijk de volgende evenementen

Schrijf ook een artikel !

Vacatures

Onze partners

Flux RSS

Subscribe

REDACTIE

Ontdek de andere online nummers van het tijdschrift

Het volledige archief

Ontdek onze speciale dossiers

Uitwisseling van ervaringen