◄ Terug naar inhoud

Voor u gelezen

A. H. Mitchell, G. B. Parker, H. KanamoriW., A. Rutala, D. J. Weber

Comparing non-safety with safety device sharps injury incidence data from two different occupational surveillance systems..

Journal of Hospital Infection,  96 (2) : 195-198, 2017.

De Bloodborne Pathogens Standard, of norm inzake bloedoverdraagbare ziekteverwekkers, van het Amerikaanse agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (OSHA), zoals gewijzigd door de Needlestick Safety and Prevention Act, of wet inzake het voorkomen van prikongevallen, verplicht het gebruik van medische materiaal met ingebouwde veiligheid verplicht om prikongevallen en andere verwondingen door scherpe voorwerpen te vermijden en is sinds 2001 in werking. In de loop der jaren worden wijzigingen in letsels vastgesteld tussen diegene veroorzaakt door medische materiaal met en zonder ingebouwde veiligheid. Dit onderzoek vergelijkt twee professionele systemen voor de surveillance van incidenten om te bepalen of die gegevens kunnen veralgemeend worden naar andere instellingen of landen waar wetgeving aanwezig is, of waar overwogen wordt om een nationaal beleid te ontwikkelen voor de preventie van prikongevallen bij gezondheidspersoneel.

B. Hittle ; N. Agbonifo ; R. Suarez ; K.G. Davis ; T. Ballard.

Complexity of occupational exposures for home health-care workers : nurses vs home health aides.

Journal of Nursing Management, 24 : 1071-1079, 2016.

Deze studie wil de beroepsmatige blootstellingen voor thuisverpleegkundigen en -zorgkundigen identificeren. In de VS is het aantal arbeidsgerelateerde letsels bij thuisverzorgers hoger dan het nationale gemiddelde, maar er is weinig onderzoek gevoerd naar de oorzaken van die blootstelling en de risico’s. Deelnemers werden bevraagd naar de jaarlijkse frequentie van beroepsmatige blootstelling en risico’s.  Aan de hand van de Wilcoxon twee-steekproeven-toets werden de gemiddelde blootstelling en risico’s tussen thuisverpleegkunidgen en –zorgkundigen vergeleken.

De meerderheid van de steekproef was ouder dan 40 jaar en zwaarlijvig, wat de risico’s op letsels verhoogt.  Thuisverpleegkundigen voerden meer klinische taken uit en werden daardoor meer blootgesteld aan bloedoverdraagbare ziekteverwekkers.  Zorgkundigen in de thuissetting namen vaker de meer fysieke taken op zich, met een verhoogd risico op beroepsmatige spier- en botletsels.  Zij dienden ook orale en kankerbestrijdende geneesmiddelen toe en waren daarmee in vergelijkbare mate als de thuisverpleegkundigen, blootgesteld aan geneesmiddelresten.  Beide groepen waren beroepsmatig ook blootgesteld aan secundaire tabaksrook. We maken hieruit op dat het voeren van een veiligheidsbeleid voor werknemers, het promoten van een gezonde levensstijl binnen het team en het beschikbaar stellen van slimme instrumenten voor het personeel kunnen helpen om de blootstelling en de risico’s te beperken.

I. F. Btaiche ; D. S. Kovacevich ; N. Khalidi ; L.F. Papke

The effects of needleless connectors on catheter-related bloodstream infections.

American Journal of Infection Control, 39 (4 ) : 277-283, 2011.

Naaldloze connectoren, zoals het standaard ‘spilt septum’-systeem en de connectoren met een Luer-geactiveerde mechanische klep, worden in de klinische praktijk gebruikt om het risico op prikongevallen uit te sluiten. Zo hoeft men geen naalden te gebruiken om toegang te krijgen tot intravasculaire katheters. De mechanische kleppen met negatieve en positieve verplaatsing worden geassocieerd met een verhoogd aantal kathetergerelateerde septicemieën, vergeleken met de connectoren met het ‘split septum’-systeem.  Op basis van de beschikbare gegevens kan men dus beter connectoren met het ‘split septum’-systeem gebruiken in plaats van connectoren met een mechanische klep. Grondige ontsmetting door het ‘scrubben’ van de toeganspoort, bij voorkeur met chloorhexidine, is aanbevolen om het risico op microbiële besmetting van de katheter te beperken, in combinatie met andere efficiënte infectiecontrolepraktijken.  Om de mogelijke  gevolgen en effecten van de verschillende types naaldloze connectoren met mechanische klep op septicemieën te evalueren zijn grootschalige prospectieve gerandomiseerde klinische studies nodig.

O’Connor ; R. P. D. Cooke ; N. A. Cunliffe ; B. Pizer

Clinical value of stool culture in paediatric oncology patients : hospital evaluation and UK survey of practice.

Journal of Hospital Infection, 95 (1) : 123-125, 2017.

Diarree is een regelmatig opduikend symptoom bij pediatrische oncologische patiënten.  De rol van routinetests op darmbacteriën bij gehospitaliseerde patiënten met diarree wordt als beperkt beschouwd maar er is nog geen melding gemaakt van de diagnostische waarde van tests bij kinderen met oncologische aandoeningen.  Daarom hebben we binnen onze tertiaire dienst oncologie voor kinderen een vijf jaar durende retrospectieve evaluatie uitgevoerd, samen met een landelijk onderzoek in 21 centra, om het nut na te gaan van een feceskweek bij oncologische patiënten met diarree. Bij ons lokaal onderzoek testte slechts één monstername op de 842 (0.1%) positief.  Uit het landelijke onderzoek bleken heel wat verschillen in praktijken te bestaan. Er is weinig evidentie om het gebruik van conventionele feceskweken voor darmbacteriën bij kankerpatiëntjes in ons centrum te verdedigen.  Deze resultaten zouden een impact moeten hebben op het nationale beleid m.b.t. routinetesten.

F. G. Sandmann ; M. Jit ; J. V. Robotham ; S. R. Deeny

Burden, duration and costs of hospital bed closure due to acute gastroentertitis in England per winter, 2010/11-I015/16.

Journal of Hospital infection, 97 (1) : 79-85, 2017.

Elke winter komen ziekenhuizen onder druk te staan door sluiting van bedden als gevolg van acute gastro-enteritis. In Engeland staat de Nationale Gezondheidsdienst (NHS) sinds 2010/11 in voor de opvolging van de wintersituatie in alle acute ziekenhuizen. Het doel van de studie bestond uit het evalueren van de overlast, duur en kost van beddensluitingen in ziekenhuizen als gevolg van acute gastro-enteritis tijdens de wintermaanden.  Een retrospectieve analyse van routinematig ingezamelde tijdreeksen van beddensluitingen tijdens de wintermaanden 2010/11 tot 2015/16 als gevolg van diarree en braken werd uitgevoerd .  Twee belangrijke aspecten zijn aan het licht gekomen door op een niet-willekeurige manier ontbrekende waarden op systeemniveau in te voeren en door de waarnemingen te filteren tot op het niveau van data die tijdens de zes wintermaanden waren geregistreerd. De laagst en hoogst ingevoerde waarden werden in aanmerking genomen om de best- en worst-case scenario’s weer te geven.  De kostprijs van de bed-dagen werd geëvalueerd aan de hand van de NHS referentiekosten en de mogelijke kosten voor de uitval van personeel waren op vorige studies gebaseerd.  In het best-to-worst case werd elke winter een mediaan van 88.000-113.000 bedden gesloten als gevolg van gastro-enteritis.  Daarvan was 19.6-20.4% niet bezet.  Gemiddeld werd 80% van de ziekenhuizen getroffen en moesten deze elke winterbedden sluiten voor een mediaan van 15-21 dagen.  De ziekenhuiskosten voor het sluiten van bedden bedroegen zo’n 5,7-7,5 miljoen £, wat kon oplopen tot 6.9-10.0 miljoen £ wanneer de kosten voor de uitval van personeel als gevolg van ziekte werden meegerekend. We kunnen besluiten dat het mediaan aantal gesloten ziekenhuisbedden als gevolg van acute gastro-enteritis per winter gelijk was aan alle onbeschikbare algemene en acute ziekenhuisbedden in England voor een mediaan van 0.88-1.12 dagen. De kosten voor ziekenhuizen zijn aanzienlijk, maar variëren elke winter in functie van het aantal bedden die gesloten worden.

A. Chauvin ; A. Hutin ; T. Leredu ; P. Plaisance ; D. Pateron ; Y. Yordanov

Accidental blood exposures among emergency medicine residents and young physicians in France : a national survey..

Intern. Emerg. Med., 12 (2) : 221-227, March 2017.

Het doel van deze studie was een onderzoek te voeren naar de epidemiologische kenmerken van blootstelling aan bloed en andere lichaamsvochten (BFE) en naar de beroepsmatige besmettingsrisico’s bij artsen-residenten en bij jonge artsen (<35 jaar) op spoed (EM) in Frankrijk.  We hebben een transversaal anoniem online onderzoek gevoerd en daarbij 1779 deelnemers gecontacteerd. Het responspercentage bedroeg 36 % (n = 633).  Van de respondenten hebben 459 artsen (72 %) melding gemaakt van minstens één BFE.  Van de artsen met minstens één BFE heeft 35 % (n = 163) de blootstelling nooit gemeld aan de bevoegde medische overheden of aan ondersteunende diensten. Van de artsen die de blootstelling hebben gemeld, deed 63 % (n = 232) dat onmiddellijk.  Van de deelnemers die de BFE nooit of niet systematisch hebben gemeld, hebben de meeste (62 %, n = 181/289) dit niet gedaan omdat de procedure te omslachtig was en 28 % (n = 82/289) omdat zij  het risico laag inschatten, ook al heeft een derde (n = 166/458) zich op HIV laten testen en ook al bestond er bij de BFE een overdrachtsrisico. De omstandigheden waarbij de meeste BFE opgelopen werden zijn hechten (57 %,  n = 262/457) en het maken van overhaaste bewegingen (24 %,n = 111/457).  De laatste blootstellingen waren te wijten aan volle naalden in 42 % (n = 191/455) of holle naalden in 27 % (n = 123/455) van de gevallen. De meldingen na blootstelling waren zeer gering. De meldingsprocedure en zelfhulp waren de belangrijkste redenen voor het onderrapporteren van BFE. Het vereenvoudigen van de procedures kan de BFE melding bevorderen en gepast advies en/of een behandeling na de blootstelling mogelijk maken.

D. Hungerford ; J. M. Read ; R. P. D. Cooke ; R. Vivancos ; M. Iturriza-Gomara ; D. J. Allen ; N. French ; N. Cunliffe

Early impact of rotavirusvaccination in a large paediatric hospital in the UK

Journal of Hospital Infection, 93 (2) : 117-120, 2016.

De impact van routinematige rotavirusvaccinatie op gemeenschapsverworven (CA) en gezondheidszorggerelateerde (HA) rotavirus gastroenteritis (RVGE) binnen een groot kinderziekenhuis in de UK werd over een periode van 13 jaar onderzocht. Een totaal van 1644 gehospitaliseerde kinderen tussen de 0-15 jaar testten tussen juli 2002 en juni 2015 positief op het rotavirus. Uit onderbroken tijdreeksanalyses bleek dat na het invoeren van het vaccin (juli 2013 tot juni 2015), de CA- en HA-RVGE-hospitalisaties respectievelijk 83% [95% betrouwbaarheidsinterval (CI): 72-90%) en 83%  (95% CI: 66-92%] lager waren dan verwacht.  De vaccinatie tegen het rotavirus heeft de ziektelast van CA en HA-RVGE in het ziekenhuis snel doen dalen.

G. Ianiro ; R. Delogu ; L. Fiore ; M. Monini ; F. M. Ruggeri

Group A rotavirus genotypes in hospital-acquired gastro enteritis in Italy, 2012-14.

Journal of Hospital Infection, 96 (3) : 262-267, 2017.

Groep A rotavirussen (RVA) zijn de voornaamste oorzaak van acute gastro-enteritis (AGE) bij jonge kinderen (<5 jaar) en veroorzaken wereldwijd zo’n 250.000 overlijdens, meestal in ontwikkelingslanden.  Verschillen op nucleotidensequenties van genen die coderen voor VP7 (G-type) en VP4 (P-type) vormen de basis voor de binaire RVA-nomenclatuur.  Hoewel er momenteel minstens 32 G-types en 47 P-types van het rotavirus bekend zijn, kunnen de meeste RVA-infecties bij mensen wereldwijd worden gerelateerd aan de vijf belangrijkste G/P combinaties: G1P[8], G2P[4], G3P[8], G4P[8] en G9P[8]. De bedoeling was om de ziekenhuizen binnen het Italiaanse surveillancenetwerk te voorzien van up to date informatie over RVA AGE. Tijdens de RVA gastro-enteritis-surveillance in Italië in 2012-14 werden in totaal 2341 RVA-positieve feceskweken verzameld van gehospitaliseerde kinderen met AGE en de RVA-stammen werden gegenotypeerd volgens de EuroRotaNet standaard protocollen. De meeste geanalyseerde stammen behoorden tot de vijf belangrijkste menselijke genotypes en 118 van de 2341 (5.0%) werden als ziekenhuis-verworven beschreven. Uit een vergelijking van de verdeling van de RVA-genotypes die binnen de gemeenschap circuleerden en diegene die met zorginfecties werden geassocieerd bleek een verschillende verdeling van de genotypes te bestaan. G1P[8] en G9P[8] RVA-stammen werden regelmatig opgespoord, terwijl G12P[8] één grote ziekenhuisepidemie veroorzaakte. De informatie uit deze studie kan zinvol zijn bij de implementatie van richtlijnen voor de preventie van RVA AGE en bij de optimalisatie van het beheer van patiënten in ziekenhuisdiensten.

F. M. Egro ; C. A. Nwaiwu ; S. Smith ; J. D. Harper ; A. M. Spiess

Seroconversion rates among health care workers exposed to hepatitis C virus-co ntaminated body fluids : the university of Pittsburgh 13-year experience

American Journal of Infection Control, 45 (9) 1001-1005, 2017.

De overdracht van het hepatitis C-virus (HCV) op gezondheidswerkers (HCP) na blootstelling aan een HCV-positieve bron doet zich naar verluidt aan een gemiddeld percentage van 1.8% (range: 0%-10%) voor. De bedoeling was de seroconversiegraad te bepalen na blootstelling aan HCV-besmette lichaamsvochten in een groot academisch ziekenhuis in de VS. We hebben een longitudinale analyse uitgevoerd van een prospectief bijgehouden databank van gemelde arbeidsongevallen die zich tussen 2002 en 2015 aan het medisch centrum van de universiteit van Pittsburgh hebben voorgedaan. De verzamelde gegevens betroffen het type ongeval en vocht, het getroffen lichaamsdeel, besmetting van scherpe voorwerpen, betrokkenheid van artsen-residenten, en de hepatitis B-virus- (HBV), HCV- en HIV-status van de patiënt. In totaal werden 1.361 blootstellingen geïncludeerd in de studie. De meeste blootstellingen waren het gevolg van prikletsels (65.0%), gevolgd door mucocutane letsels (33.7%).  De meeste letsels (63.3%) werden opgelopen aan de handen, gevolgd door het gezicht en de nek (27.6%).  Blootstelling aan bloed was goed voor 72.7%, bloedbevattend speeksel voor 3.4%.  Een totaal van 6.9% en 3.7% van de bronpatiënten waren respectievelijk geco-infecteerd met HIV en HBV.  De HCV-seroconversiegraad bedroeg 0.1% (n = 2) door blootstelling aan bloed na een prikletsel. Deze studie is het grootste en meest recente cohort van een groot universitair medisch centrum in de VS. De HCV-seroconversiegraad bij gezondheidswerkers die aan HCV-besmette lichaamsvochten waren blootgesteld bleek geringer dan de meeste gegevens die in de literatuur werden aangetroffen.


T. Yeargin ; D. Buckley ; A. Fraser ; X. Jiang

The survival and inactivation of enteric viruses on soft surfaces : a systematic review of the literature.

American Journal of Infection Control, 44 (11): 1365-1373, 2016.

Wereldwijd zijn darmvirussen de belangrijkste oorzaak van acute gastro-enteritis.  Bij mensen verspreiden deze virussen zich via contact tussen personen, voedsel, water en/of de omgeving.  Hun overleving en inactivering op harde oppervlakken zijn uitvoerig bestudeerd. Weinig aandacht ging echter uit naar het gedrag ervan op niet-afwasbare zachte oppervlakken zoals stoffering en tapijt.  De bedoeling van deze systematische review was om factoren te bepalen die de overleving en inactivering van darmvirussen op niet-afwasbare zachte oppervlakken beïnvloeden. We hebben in EBSCO en Web of Science gezocht naar experimentele studies gepubliceerd tussen 1965 en 2015, die gebruik maakten van methodes van  rapportering van systematische reviews en meta-analyses. Bij de screening van titels en abstracts werden drie criteria gehanteerd.    Ook de kwaliteit van de studiemethoden werd geëvalueerd. Onze doorlichting heeft 12 artikels opgeleverd.  Virussen overleefden tussen 0 uur en 140 dagen, afhankelijk van oppervlak- en omgevingsfactoren.  Het al dan niet overleven van virussen werd bepaald door temperatuur, relatieve vochtigheid, organische inhoud en depositiemethode.  Tal van chemische producten werden in de verschillende studies getest en deze bleken verschillende effecten te hebben op darmvirussen. Chloor, glutaaraldehyde, ozondamp en waterstofperoxide waren het meest efficiënt tegen darmvirussen (> 3-log reductie). We kunnen besluitend at omgevingsfactoren zoals temperatuur en relatieve vochtigheid, het al dan niet overleven van darmvirussen op niet-afwasbare zachte oppervlakken kunnen beïnvloeden.  De efficiëntie van producten in vloeibare vorm of gasvorm zijn afhankelijk van het type  oppervlak en virus.


A. C. Ganime ; J. P. G. Leite ; C.E. da S. Figueiredo ; F. A. Carvalho-Costa ; F. G. Melgaço ; F. C. Malta ; T. M. Fumian ; M. P. Miagostovich

Dissemination of human adenoviruses and rotavirus species A on fomites of hospital pediatric units.

American Journal of Infection Control, 44 (11): 1411-1413, 2016.

De verspreiding van het rotavirus A en van het menselijke adenovirus werden aangetoond op zowel de dienst pediatrie als op de neonatale intensieve zorgeenheden (NICU) van eenzelfde kinderziekenhuis. De virusdetectie op stalen van voorwerpen waren hoger op de dienst pediatrie (42.3% [137 op 324]) dan op de neonatale intensieve zorgeenheden (4.5% [7 op 156]), wat erop wijst dat de schoonmaakprocessen op onze neonatale intensieve zorgeenheden effectief zijn in het beperken van de virusbesmetting. Deze bevinding suggereert dat het menselijke adenovirus een potentiële biomarker kan zijn van besmetting van voorwerpen in ziekenhuizen.


M. G. Schmidt ; R. E. Tuuri ; A. Dharsee ; H. H. Attaway ; S. E. Fairey ; K. T. Borg ; C. D. Salgado ; B. E. Hirsch

Antimicrobial copper alloys decreased bacteria on stethoscope surfaces.

American Journal of Infection Control, 45(6) : 642-647, 2017.

Via stethoscopen kunnen bacteriën tussen patiënten worden overgedragen.  Deze studie moest de efficiëntie beoordelen van antimicrobiele koperen oppervlakken om de bacteriële concentratie op het oppervlak van stethoscopen te beperken.  Een gestructureerd prospectief onderzoek werd uitgevoerd bij 21 gezondheidswerkers op een pediatrische intensieve zorgafdeling (ED) (n = 14) en een intensieve zorgafdeling voor volwassenen in een tertiair ziekenhuis (n = 7). Over een periode van 90 dagen werden 4 gewone oppervlakken van een stethoscoop en van een gelijkaardig product vervaardigd uit een antimicrobiële koperlegering erkend door het Amerikaans milieubeschermingsagentschap (AMCus) beoordeeld op het totaal aantal  aërobe kolonies (ACCs), methicilline-resistente Staphylococcus aureus, Gram-negatieve bacteriën en vancomycine-resistente enterokokken. De gemiddelde collectief ingezamelde  ACC’s op alle stethoscoop-oppervlakken vervaardigd uit AMCus bleken significant minder bacterieconcentraties te bevatten (pediatrische intensieve zorgafdeling, 11.7 vs 127.1 kolonievormende eenheden [CFU]/cm2, P < .00001) dan de controle-equivalenten. Deze waarneming stond los van de gezondheidswerker of de infeciebestrijdingspraktijken. De afwezigheid van bacterieel herstel op de AMCus-oppervlakken (66.3%) was significant hoger (P < .00001) dan bij de controle-oppervlakken (22.4%). De typische rand in urethaan van stethoscopen was het meest belast, waarbij de  gemiddelde concentraties minstens 25 keer hoger lagen dan de concentratie voor het verwerven van zorginfecties (5 CFU/cm2). Dit bewijst erop dat de stethoscoop in aanmerking moet worden genomen bij de plannen ter bestrijding van de microbiële kruisbesmetting tijdens de zorgverstrekking aan de patiënt. We kunnen besluiten dat  stethoscoop-oppervlakken met AMCus consistent minder bacteriën bevatten.

W. Ocampo ; R. Geransar ; N.Clayden ; J. Jones ; J. de Grood ; M. Joffe ; G. Taylor ; B. Missaghi ; C. Pearce ; W. Ghali ; J. Conly,

Environmental scan of infection prevention and control practices for containment of hospital-acquired infectious disease outbreaks in acute care hospital settings across Canada

American Journal of Infection Control, 45 (10) : 1116-1126, 2017.

Het sluiten van een afdeling is een manier om zorginfecties onder controle te houden en wordt vaak gekoppeld aan andere maatregelen.  Toch kan men zich afvragen in hoeverre het sluiten van afdelingen opportuun en efficiënt is. We hebben inzicht willen krijgen in de huidige praktijken en percepties rond het sluiten van een afdeling als gevolg van zorginfecties in acute zorginstellingen in heel Canada. Een groep deskundigen op vlak van infectiepreventie en -bestrijding heeft een online omgevingsonderzoek ontwikkeld en verdeeld onder 235 professionals op vlak van infectiepreventie en -bestrijding in acute zorginstellingen in Canada. De gegevens werden geanalyseerd aan de hand van een gemengde aanpak van beschrijvende statistieken en thematische analyses. Uit een totaal van 110 ingevulde antwoorden bleek dat 70% van de sites melding maakte van minstens 1 epidemie in 2013 en 44% van deze sites liet weten een afdeling te hebben gesloten.  Het sluiten van een afdeling werd door respectievelijk 50%, 45% en 5% van de deelnemers als een «gepaste», «soms gepaste» of «ongepaste» strategie beschouwd. De beddencapaciteit en een globale evaluatie van de risico’s waren de belangrijkste factoren om te beslissen een ziekenhuisafdeling al dan niet te sluiten tijdens een epidemie. De resultaten doen vermoeden dat het sluiten van een afdeling om epidemieën van zorginfecties binnen acute zorginstellingen in Canada onder controle te houden wordt gekoppeld aan andere  methoden die sterk variëren.  Het succesvol sluiten van een afdeling was afhankelijk van de algemene steun die het team infectiepreventie en -bestrijding van de ziekenhuisdirectie kreeg.

◄ Terug naar inhoud

Wetenschappelijke agenda

  • Oktober 2019
  • van 2/10 tot 6/10 || in Washington
    Infectious Diseases Society (Id)WEEK
  • 3/10
    Colloque Hygiène
  • November 2019
  • 28/11
    Symposium BICS
  • December 2019
  • van 16/12 tot 17/12 || in Parijs
    39ème Réunion Interdisciplinaire de chimiothérapie anti-infectieuse (RICAI)
Bekijk de volgende evenementen

Schrijf ook een artikel !

Vacatures

Onze partners

Flux RSS

Subscribe

REDACTIE

Ontdek de andere online nummers van het tijdschrift

Het volledige archief

Ontdek onze speciale dossiers

Uitwisseling van ervaringen