◄ Terug naar inhoud

Accreditatie – NIAZ (1)

Prof. dr. I. Leroux-Roels - , geneesheer-ziekenhuishygiënist, UZ Gent

Logo 3 kleuren

[1] Referaat, Week van de Verpleegkunde NVKVV, Studiedag Ziekenhuishygiëne, 24/03/2014, Oostende

Inleiding

Vanuit een streven naar het voortdurend verbeteren van zorgprocessen en –resultaten laten steeds meer ziekenhuizen zich evalueren door externe, onafhankelijke organen om te bepalen of de instelling voldoet aan een aantal vooraf vastgelegde minimale kwaliteitseisen, standards of normen genoemd. Ook in ons land worden ziekenhuizen actief aangemoedigd om in een accreditatietraject te stappen. In Vlaanderen maakt dit deel uit van het nieuwe toezichtmodel op de algemene, categorale en universitaire ziekenhuizen dat in 2013 werd uitgerold.1 De Zorginspectie focust zich vooral op het nalevingstoezicht, zijnde het concreet aftoetsen van de zorgkwaliteit op de werkvloer. Men richt zich hierbij op zorgtrajecten, dit is het traject dat een bepaalde groep van patiënten, zoals internistische, chirurgische of geriatrische patiënten in een ziekenhuis doorloopt. Daarnaast is er ook het systeemtoezicht, dat het doorlichten van de ziekenhuisbrede kwaliteitsborgende systemen omvat. Hierin ziet de Vlaamse Overheid een rol weggelegd voor externe, accrediterende instanties, zoals het Amerikaanse Joint Commission International (JCI) en het Nederlands Instituut voor Accreditatie in de Zorg (NIAZ). In tegenstelling tot JCI dat actief is in meer dan 50 landen, houdt het NIAZ zich enkel bezig met de accreditatie van zorginstellingen in Nederland en Vlaanderen.

NIAZ KZi 2.4 versus KZi 3.0 – Qmentum: what’s in a name?

NIAZ werd opgericht in 1998 met als opdracht het ontwikkelen van kwaliteitsnormen en de toepassing ervan in diverse types zorginstellingen te toetsen. Een goed verloop van deze toetsing resulteert in het behalen van de accreditatie door de zorginstelling. Niet alleen acute ziekenhuizen, maar ook chronische ziekenhuizen, psychiatrische ziekenhuizen, dialysecentra en eerstelijnsgezondheidscentra kunnen zich bij het NIAZ aanmelden om in een accreditatietraject te stappen. In ons land is het Jessa Ziekenhuis in Hasselt het eerst ziekenhuis dat geaccrediteerd werd door het NIAZ, een eerste keer in 2008 en een tweede keer in 2012. Op heden zijn 33 Vlaamse zorginstellingen aangemeld bij het NIAZ. Het betreft voornamelijk acute ziekenhuizen (met het UZ Gent als enig universitair ziekenhuis), maar ook enkele psychiatrische ziekenhuizen en revalidatiecentra.2

Tot voor kort ontwikkelde het NIAZ zelf de normenkaders, de zogenaamde ‘Kwaliteitsnorm Zorginstelling’ (KZi). De laatste versie ‘KZi 2.4’ (dd. 2 september 2013) is net zoals de voorgaande versies vrij beschikbaar via de website van het NIAZ.3 Overeenkomstig het EFQM model, kunnen de oorspronkelijke KZi normen worden onderverdeeld in normen die te maken hebben met de organisatorische aspecten of randvoorwaarden van de zorginstelling enerzijds, en met de resultaten anderzijds. De organisatorische normen waren goed uitgewerkt door het NIAZ, de resultaatsgerichte normen daarentegen dienden verder ontwikkeld en uitgebreid te worden. In plaats van dit zelf te doen, heeft het NIAZ in 2013 een overeenkomst gesloten met Accreditation Canada International (ACI), waarbij het Canadese normensysteem, Qmentum genaamd, door het NIAZ werd overgenomen. Dit heeft geleid tot een nieuw normenkader, de zogenaamde KZi 3.0 of NIAZ-Qmentum. Deze normen werden ondertussen door het NIAZ vertaald en aangepast aan de Nederlandse en Vlaamse setting en zijn enkel voor geregistreerde ziekenhuizen via de website beschikbaar. Beide systemen (KZi 2.4 en KZi 3.0) zullen nog een 3-tal jaar naast elkaar blijven bestaan, maar vervolgens zal het NIAZ definitief overstappen naar Qmentum. Om die reden zal verder enkel over NIAZ-Qmentum gesproken worden. Zowel KZi 2.4 als KZi 3.0 hechten veel belang aan zelfevaluatie (self assessment) wat niet het geval is voor JCI. Een vergelijkende tabel met de 3 systemen (NIAZ KZi 2.4, KZi 3.0 en JCI) kan geraadpleegd worden op de NIAZ website.4 

NIAZ-Qmentum (KZi 3.0) voor acute ziekenhuizen 

Normen

Qmentum omvat 272 verschillende normen die in 20 hoofdstukken zijn onderverdeeld en die bij de overname door het NIAZ vertaald werden in het Nederlands. De eerste 4 hoofdstukken zijn belangrijke onderwerpen die instellingsbreed aandacht moeten krijgen. Naast ‘Governance’, ‘Leiderschap’ en ‘Medicatiebeheer’ is het vierde thema ‘Infectiepreventie en –bestrijding’ (IPC). De andere hoofdstukken omvatten normen die telkens van toepassing zijn op een welbepaald type afdeling, zoals o.a. de operatieve zorg, de oncologische zorg en de verloskundige zorg. In deze hoofdstukken komen de thema’s rond patiëntveiligheid aan bod, zoals safe surgery, valpreventie, patiëntenidentificatie, medicatiebeleid en infectiepreventie, maar ook andere onderwerpen zoals bv. competentiemanagement, klachtenbehandeling, patiëntendossier en patiëntenparticipatie.

De norm beschrijft telkens wat er moet gerealiseerd worden en de criteria bij de norm geven aan hoe dit moet gerealiseerd worden. In totaal zijn dat er meer dan 2000. Elke norm kan voorzien zijn van een algemene toelichting (guideline). Deze werd eveneens vertaald in het Nederlands en het NIAZ heeft bij sommige normen nog een specifieke toelichting toegevoegd met verwijzing naar de relevante wet- en regelgeving in de Vlaamse of Nederlandse context. Bijzondere aandacht moet gaan naar de zogenaamde vereiste instellingsrichtlijnen of required organizational practices (ROPs), essentiële praktijken die instellingen moeten hanteren om de veiligheid van patiënten/cliënten te verbeteren en risico’s te minimaliseren. Daarnaast zijn er ook normen met hoge prioriteit (high priority standards) die te maken hebben met veiligheid, ethiek, risicomanagement en kwaliteitsverbetering. Voor het thema infectiepreventie en -bestrijding zijn er 14 normen met in totaal 103 criteria. Handhygiëne en veilige injectieprotocollen en –praktijken vormen de 2 ROP’s. Bij deze ROP’s staan ook nalevingtests (tests of compliance), waarmee men de naleving van de norm kan nagaan. Voor handhygiëne is dat bijvoorbeeld de beschikbaarheid van handalcohol op plaatsen voor directe patiëntenzorg (door de WHO gedefinieerd als maximum 1 meter verwijderd van het zorgpunt), de aanwezigheid van reminders op de werkvloer en het organiseren van vorming over de techniek van handhygiëne.

Accreditatieniveaus en scoresysteem

Men onderscheidt 3 niveaus van accreditering, ‘goud’, ‘platinum’ en ‘diamant’, zowel voor elke norm/elk criterium als voor de hele zorginstelling. De meeste zorginstellingen ambiëren aanvankelijk het behalen van het gouden accreditatieniveau, maar de bedoeling is dat er na het doorlopen van de accreditatiecyclus telkenmale naar een hoger kwaliteitsniveau gedongen wordt. Om het gouden accreditatieniveau te behalen moet men voldoen aan de volgende 3 vereisten: 1) een score van 100% behalen voor de ROP’s; 2) een score van minstens 90% behalen voor de normen met hoge prioriteit en 3) voldoen aan minstens 81% van alle gouden criteria.

Accreditatieproces

Een accreditatiecyclus van NIAZ-Qmentum duurt 4 jaar en is te beschouwen als een kwaliteitsverbetercyclus of PDCA (plan-do-check-act) cyclus, zoals ook voorgesteld in Figuur 1. In de voorbereidingsfase worden opleidingen voorzien door het NIAZ zelf, of door gespecialiseerde adviesbureaus zoals Kerteza in Vlaanderen. In het UZ Gent bijvoorbeeld is men gestart met alle ziekenhuisbrede en dienstspecifieke normen en criteria toe te wijzen aan verschillende eigenaars (bv. de directie, de cel kwaliteit, de apotheek, team ziekenhuishygiëne). Deze eigenaars dragen de eindverantwoordelijkheid. Zij moeten er onder andere op toezien dat er een uitgeschreven beleid is (bv. onder de vorm van een beleidsnota, procedure of protocol) en dat dit – waar vereist – ook geïmplementeerd wordt.       

Het traject naar accreditatie verloopt in 4 fasen, zijnde:

  1. De instelling voert een ziekenhuisbrede zelfevaluatie uit aan de hand van elektronische vragenlijsten. Hieruit wordt onmiddellijk een rapport gegenereerd met de (dringende) aandachts- en verbeterpunten.  
  2. Actieteams gaan aan de slag met het actieplan dat uit de zelfevaluatie volgt.
  3. Interne audits vinden plaats.
  4. De externe audit vindt plaats.

Stappen 1 tot en met 3 worden uitgevoerd door medewerkers van het ziekenhuis, wat in belangrijke mate bijdraagt tot het verhogen van de betrokkenheid van de medewerkers.

Fig. 1 Verloop van een accreditatiecyclus (PDCA) van NIAZ-Qmentum
imag01L-NL-XIX

Om het Qmentum systeem verder te verfijnen test het NIAZ alle normensets tegelijk uit in de piloot audits die voorzien zijn voor het najaar 2015. In Vlaanderen is het UZ Gent pilootziekenhuis. De bevindingen uit deze pilot audits vormen de definitieve grondslag voor de audits die het NIAZ vanaf eind 2015 – begin 2016 zal uitvoeren op basis van Qmentum.

Accreditatie van infectiepreventie en –bestrijding

Zoals reeds eerder beschreven vormt IPC een van de 4 belangrijke, ziekenhuisbrede thema’s en vindt men bijkomende IPC normen ook terug in de hoofdstukken ‘operatiekamers’, ‘spoedeisende hulp’, ‘ambulante zorg’, ‘verloskunde’, ‘diagnostische beeldvorming’ en ‘reiniging en sterilisatie van herbruikbare medische hulpmiddelen’.

Men gaat het best van start met een inventarisatie van het IPC hoofdstuk dat 14 normen (Tabel 1) en 103 criteria, inclusief de 2 ROP’s (handhygiëne en veilige injectieprotocollen en -praktijken) omvat.
imag01K-NL-XIX

Tabel 1. Overzicht van de normthema’s, het nummer en de omschrijving van de 14 normen en het aantal normen (gouden normen tussen haakjes) m.b.t. infection prevention and control (IPC)

Indien men een gouden accreditatieniveau beoogt, dient men voorrang te geven aan de 53 gouden IPC criteria. In de meeste instellingen vallen niet alle gouden IPC-normen onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van het team ZHH, maar worden ze o.a. toegewezen aan de directie, de apotheek, de dienst infrastructuur, de interne preventiedienst, de diensten catering en schoonmaak. Uiteraard dient het team ziekenhuishygiëne wel nog bepaalde aspecten op te volgen. Afhankelijk van de organisatie in elk ziekenhuis zal deze opdracht dus anders verdeeld worden. In de overige 19 hoofdstukken zijn er nog 5 normen met 50 criteria die met IPC te maken hebben, meestal zijn dit dezelfde normen als in het IPC hoofdstuk, maar toegepast op die specifieke setting.

Zoals eerder vermeld heeft het NIAZ – waar relevant – nog een toelichting toegevoegd aan de normen, specifiek voor de Vlaamse context. Dit betreft o.a. de verwijzing naar het K.B. van 26/04/20075, naar de adviezen van de Hoge Gezondheidsraad6, naar het NSIH surveillanceprogramma7, de WIV-ISPkwaliteitsindicatoren ziekenhuishygiëne voor acute ziekenhuizen8, het Legionellabesluit9, de richtlijnen infectieziektebestrijding Vlaanderen10 en meldingsplichtige infectieziekten11,   het eisenkader van de chirurgische12 en internistische13 patiënt, richtlijnen en vereisten waar de teams ziekenhuishygiëne mee vertrouwd zijn.

Zoals uit de beschrijving van de thema’s (tabel 1) kan afgeleid worden, behoren de aspecten die onder de loupe worden genomen grotendeels tot de kernopdrachten van het team (en comité) ziekenhuishygiëne zoals beschreven in het K.B. 26/04/20075. Zo gaat norm 1 bijvoorbeeld over surveillance of het monitoren van trends in infecties, een belangrijke activiteit waarmee de doeltreffendheid van het infectiepreventie- en -beheersingsprogramma kan geëvalueerd worden. Daarnaast is er zowel aandacht voor de zogenaamde ‘horizontale’ als voor de ‘verticale’ infectiepreventie. Onder horizontale infectiepreventie verstaat men de niet pathogeen specifieke interventies die de transmissie van elk micro-organisme, onafhankelijk van het antibiogram of de virulentie willen voorkomen. Daartoe behoren de standaard voorzorgen, zoals handhygiëne die in norm 6 uitgebreid aan bod komt maar ook de eliminatie van microbiële reservoirs in de omgeving. Normen 8 en 10 t.e.m. 13 hebben betrekking op de reiniging, desinfectie (en sterilisatie) van de fysieke omgeving, linnen, instrumenten en apparatuur (zoals endoscopen). De verticale infectiepreventie focust anderzijds op specifieke, epidemiologisch relevante micro-organismen zoals bv. MRSA(methicilline resistente Staphylococcus aureus) en CPE (Carbapenemase producerende Enterobacteriaceae). Dit omvat de actieve detectie en isolatie, en dus ook het actief opsporen en beheersen van epidemische verheffingen. Deze vormen het onderwerp van normen 9 en 14. Vervolgens zijn er de meer beleidsmatige normen, die vereisen dat het IPC-programma van een organisatie kan versterkt worden door netwerkvorming met andere organisaties en de gemeenschap (norm 1), dat het IPC programma moet gebaseerd zijn op evidence-based onderzoek en informatie over beste praktijken (best practices) (norm 3) en dat er beleidslijnen en procedures ontwikkeld en regelmatig geactualiseerd worden (norm 4). Tenslotte gaat er ook veel aandacht naar de opleiding van medewerkers (norm 5) en de communicatie met patiënten (in de normen ook cliënten genoemd) en hun familie (norm 7).

Per norm en per criterium wordt vervolgens door de normeigenaar een projectfiche opgesteld waarin de huidige situatie en de gewenste situatie beschreven staan. Een gefaseerd actieplan moet duidelijk maken hoe een eventuele gap kan gesloten worden, en welke meetbare elementen of indicatoren kunnen gebruikt worden om de naleving van de norm/het criterium te toetsen.

Succesfactoren en struikelblokken, enkele persoonlijke beschouwingen

In het UZ Gent was men reeds gestart met het voorbereidingstraject voor NIAZ KZi 2.3 (de voorganger van KZi 2.4), toen het nieuws kwam dat het NIAZ het Qmentum normenkader zou overnemen. Initieel heerste het gevoel dat Qmentum een veel zwaardere opdracht zou worden, doordat er veel meer normen en criteria zijn. Bij nader inzien blijkt dat de thema’s inhoudelijk grotendeels gelijk lopen (bv. richtlijnen ter preventie van ziekenhuisinfecties, schoonmaak, audits, lucht- en waterkwaliteit, …) en dat de Qmentum normen en criteria concreter zijn wat het voor de instelling duidelijker maakt wat verwacht wordt. Op dat vlak lijkt NIAZ Qmentum dus meer op JCI, waar de vroegere NIAZ normen (KZi 2.3 of 2.4) vaak veel vager waren. Ook de eerder vermelde verwijzingen naar Belgische en Vlaamse wet- en regelgeving, die aan sommige Qmentum normen werden toegevoegd, zijn bijzonder nuttig voor de normeigenaars die dit moeten omzetten naar de praktijk. Een belangrijk verschil tussen JCI en NIAZ Qmentum is het feit dat JCI slechts 1 niveau van accreditering hanteert, terwijl NIAZ 3 accrediteringsniveaus heeft, m.n. goud, platinum en diamant. Dit biedt als voordeel dat een instelling kan starten met de gouden normen, die betrekking hebben op basisstructuren en –processen rond de fundamentele elementen van veiligheids- en kwaliteitsverbetering. Gaandeweg kan men de lat hoger leggen en streven naar het behalen van het volgend accrediteringsniveau. Voor norm 13 rond het opwerken van endoscopen betekent dit bijvoorbeeld dat men prioriteit moet geven aan gouden normen zoals de opleiding van de medewerkers (norm 13.1), controle op beschadigingen, inclusief lektest (norm 13.6), een procedure voor manuele reiniging met water en detergens (norm 13.7) en een dagelijkse schoonmaak van de opwerkruimtes. Pas in een volgende accrediteringscyclus moeten platinum normen zoals afzonderlijke werkruimtes voor reiniging, ontsmetting en opslag (norm 13.3) en een volledig traceerbaarheidssysteem (normen 13.12 en 13.13) gerealiseerd zijn.

Niettegenstaande de Qmentum normen heel wat concreter zijn in vergelijking met de vroegere NIAZ normen, omschrijven zij, met uitzondering van de ROPs, vaak niet tot in detail waaraan precies moet voldaan zijn. Dit heeft als gevolg dat er nog steeds ruimte is voor interpretatie en soms bijhorende discussies. De normen stellen over het algemeen dat er een beleid moet zijn, maar hoe dit er concreet moet uitzien zal mede bepaald worden door het wettelijk en regelgevend kader in een welbepaald land en uiteraard ook door de specifieke context van een bepaalde zorginstelling. Personele en financiële middelen zijn immers beperkt, dus spreekt het voor zich dat men zich focust op hoogrisico afdelingen of –patiënten en dat men bij de implementatie voorrang geeft aan die elementen waarvoor de meeste evidentie beschikbaar is. Ook mag men de praktische haalbaarheid nooit uit het oog verliezen. Zo stelt norm 6.1 bijvoorbeeld dat de instelling de zorgverleners en ‘andere medewerkers’ opleidingen en trainingen moet geven op het gebied van handhygiëne. Er staat niet gespecificeerd hoe deze opleidingen en trainingen moeten verlopen, noch met welke frequentie ze moeten georganiseerd worden en door welke ‘andere medewerkers’ ze moeten bijgewoond worden. Hiervoor moet het team ziekenhuishygiëne zich baseren op bestaande richtlijnen, zoals de WHO (wereld gezondheids organisatie) multimodale strategie ter promotie van handhygiëne14 en voorts moet bepaald worden wat een haalbare frequentie (bv. 2-jaarlijks) en format (bv. e-learning) is.

Hoewel we ons binnen de eigen instelling nog in de voorbereidingsfase van de accreditering bevinden, is het nu al duidelijk wat belangrijke succesfactoren en dus ook potentiële struikelblokken kunnen zijn. De steun van de directie met het vrijmaken van extra financiële middelen is essentieel. Dit laatste is allesbehalve evident in deze tijden van economische schaarste en besparingen in de gezondheidszorg. In het UZ Gent Universitair Ziekenhuiswerd een apart (beperkt) investeringsbudget voorzien voor het behalen van de gouden Qmentum normen. Voor het realiseren van IPC normen 6.1 en 6.3.1 (ROP handhygiëne) werd een stand-alone toestel aangekocht dat “rondreist” van de ene naar de andere afdeling en waarop de medewerkers hun kennis en techniek van handhygiëne kunnen evalueren. Daarnaast werden er ook extra middelen vrijgemaakt voor het aanstellen van een kwaliteitspromotor per sector van het ziekenhuis. Deze kwaliteitspromotoren vormen een belangrijke schakel tussen centrale instanties (bv. Cel Kwaliteit) die het beleid bepalen enerzijds en de verschillende diensten en afdelingen waar de medewerkers het beleid moeten omzetten naar de praktijk anderzijds. Deze implementatie op de werkvloer blijft toch de grootste uitdaging, en hiervoor is een cultuurverandering bij de medewerkers essentieel. Het streven naar kwaliteit en maximale patiëntveiligheid mag immers niet de zaak zijn van enkele kwaliteitsmedewerkers alleen maar moet de verantwoordelijkheid zijn van elkeen binnen de zorginstelling. Dit proces vergt tijd, dus idealiter wordt hier al vroeg in het traject op ingezet. Zoals reeds eerder aangehaald kunnen de interne audits hierin bijvoorbeeld al een rol spelen. In het UZ Gent werden een 60-tal medewerkers, waaronder artsen, verpleegkundigen maar ook medewerkers van andere beroepsgroepen tot kwaliteitsauditor opgeleid om op de afdelingen de naleving van de normen te evalueren en aanbevelingen te formuleren. Om de kwaliteitsverbeterinitiatieven in het UZ Gent te groeperen en meer visibiliteit te geven, werd de slogan ‘Kwaliteit zichtbaar maken’ in het leven geroepen, met een eigen logo en rechtstreekse link op de intranetpagina. Hiermee wil men van kwaliteit een gespreksonderwerp maken en op die manier ook een breder draagvlak creëren. Het vergt continue inspanningen om dit onderwerp levendig te houden en tegelijkertijd moet men erop beducht zijn dat er geen ‘accrediteringsmoeheid’ optreedt.

Voor het team ziekenhuishygiëne kan de accreditering als een opportuniteit maar tegelijkertijd ook als een bedreiging gezien worden. We stellen vast dat door de voorbereiding op accreditering het algemeen bewustzijn rond IPC toegenomen is. Dit zal uiteraard ook te maken hebben met maatschappelijke tendensen en het oprukken van multiresistente micro-organismen. In elk geval zien we in de eigen instelling een actievere participatie van artsen en verpleegkundigen aan vergaderingen en werkgroepen en een toegenomen vraag naar adviezen. De alertheid is toegenomen en meer zorgverleners willen ook zelf initiatieven nemen, in de eerste plaats de ongeveer 70 referentieverpleegkundigen ziekenhuishygiëne die we eind 2013 intern hebben opgeleid. Anderzijds is er de steeds toenemende werkdruk voor de teams ziekenhuishygiëne, niet alleen door de accreditering, maar ook door de Zorginspectie die het eisenkader van de internistische patiënt komt toetsen in de loop van 201512, de 6-maandelijkse metingen van de randvoorwaarden handhygiëne in het kader van het Vlaams indicatorenproject (VIP2)15, de kwaliteitsindicatoren ziekenhuishygiëne voor acute ziekenhuizen8 en de periodieke campagnes handhygiëne16. Het staat buiten kijf dat dit, elk op zich, waardevolle initiatieven zijn die kwaliteit willen meten en zichtbaar maken. Feit is echter dat surveillance en audits bijzonder arbeidsintensieve activiteiten zijn. Ze leveren veel informatie op, maar tegelijkertijd verbruiken ze kostbare tijd die nodig is om interventies te doen, vorming te geven, medewerkers te coachen en bij te sturen. Het is daarom een absolute uitdaging om het verstoorde evenwicht te corrigeren tussen de steeds hogere extern opgelegde eisen, de steeds kwetsbaardere patiëntenpopulatie en de almaar resistentere micro-organismen enerzijds en de ontoereikende financiering van ziekenhuishygiëne anderzijds. Aangepaste financiering is noodzakelijk om al deze uitdagingen op een kwaliteitsvolle manier te kunnen aangaan. De norm die in ons land voor de teams ziekenhuishygiëne gehanteerd wordt17, is erg laag vergeleken met internationale aanbevelingen die pleiten voor een minimum van 1 verpleegkundige ziekenhuishygiënist per 250 bedden. In een recente systematische review van Zingg et al. werd nogmaals aangehaald dat deze minimale personeelsbezetting een van de sleutelcomponenten is voor het realiseren van een doeltreffend infectiepreventie- en –beheersingsprogramma18.

Besluit

Sinds de introductie van het nieuw toezichtmodel op de ziekenhuizen in 2013, zijn tal van ziekenhuizen in een JCI of NIAZ accrediteringstraject gestapt. Het NIAZ verlaat zijn eigen normensysteem (KZi 2.4) om binnenkort definitief naar de Qmentum normen (KZi 3.0) over te schakelen. Het NIAZ hanteert 3 niveaus van accreditering: goud, platinum en diamant. Infectiepreventie en –beheersing vormt een van de 4 ziekenhuisbrede thema’s van Qmentum. Dit hoofdstuk omvat 14 normen met 103 criteria, waarvan ongeveer de helft gouden criteria zijn. Deze normen hebben betrekking op alle fundamentele aspecten van infectiepreventie, zoals ondermeer handhygiëne, reiniging en desinfectie van de omgeving, instrumenten en apparatuur zoals endoscopen, het opsporen en beheersen van epidemische verheffingen en het ontwikkelen en actualiseren van beleidslijnen en procedures. Er gaat ook veel aandacht naar de opleiding van medewerkers en de communicatie met patiënten en hun familie. Een accrediteringscyclus van NIAZ duurt 4 jaar en is een hele onderneming voor een ziekenhuis. Een actief engagement van de directie is een essentiële voorwaarde tot slagen, evenals het vrijmaken van voldoende financiële en personele middelen. Om het draagvlak te verhogen en medewerkers maximaal te betrekken, zijn goede communicatietools nodig. Voor de teams ziekenhuishygiëne is accreditering in de eerste plaats een opportuniteit. Het moet een hefboom zijn om zaken te realiseren die voorheen niet als prioritair werden beschouwd. De normen bieden hierin een belangrijke houvast, hoewel ze vaak nog voor interpretatie vatbaar zijn. In dat geval moet men zich baseren op (inter)nationale richtlijnen en op een risicoanalyse in de eigen setting.

De teams voor infectiepreventie (ziekenhuishygiëne) in ons land staan in elk geval voor bijzonder grote uitdagingen: het beheersen van de verspreiding van almaar resistentere micro-organismen met weinig financiële en personele middelen in een context van besparingen in de gezondheidszorg met hoge werkdruk en personeelstekort op de patiëntenafdelingen en ondersteunende diensten. Daarnaast nemen de extern opgelegde eisen (accreditering maar ook de overige initiatieven van de overheid) alsmaar toe. Het zichtbaar maken van de kwaliteit van zorg is een erg positieve evolutie, maar er moeten voldoende middelen beschikbaar zijn om al deze uitdagingen op een kwaliteitsvolle manier te kunnen aangaan.

Referenties

  1. Agentschap Zorg en Gezondheid. Toezicht op algemene ziekenhuizen. Naar een nieuw inspectiemodel: zorgtrajecten en eisenkaders. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http:// http://www.zorg-en-gezondheid.be/Beleid/Procedures/Ziekenhuizen/Toezicht-op-algemene-ziekenhuizen/#nieuw inspectiemodel
  2. Nederlands Instituut voor Accreditatie in de Zorg (NIAZ). Accreditatieoverzicht Vlaamse instellingen. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.niaz.nl/vlaanderen/vlaamse-zorginstellingen/accreditatieoverzicht-ziekenhuizen
  3. Nederlands Instituut voor Accreditatie in de Zorg (NIAZ). Kwaliteitsnorm Zorginstelling 2.4 (KZi 2.4). Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.niaz.nl/kwaliteitsnorm-zorginstelling-2.4.-kzi-2.4/kwaliteitsnorm-zorginstelling-2.4.-kzi-2.4
  4. Nederlands Instituut voor Accreditatie in de Zorg (NIAZ). Vergelijking NIAZ – JCI – Qmentum. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.niaz.nl/Algemene-informatie-over-niaz-qmentum/vergelijking-niaz-jci-qmentum-v4/view
  5. 26 APRIL 2007 – Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door het ziekenhuis en hun diensten moeten worden nageleefd. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&table_name=wet&cn=2007042667
  6. Hoge Gezondheidsraad. Publicaties. Domein ‘Infectiebeheersing in de gezondheidszorg’. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://health.belgium.be/eportal/Aboutus/relatedinstitutions/SuperiorHealthCouncil/publications/index.htm#.VM54StKG_C9
  7. Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid. Volksgezondheid & Surveillance. Zorggerelateerde infecties (NSIH). Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.nsih.be/home/home_nl.asp
  8. Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid. Kwaliteitsindicatoren voor ziekenhuishygiëne in acute ziekenhuizen. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.nsih.be/surv_iq/Introduction_nl.html
  9. Agentschap Zorg en Gezondheid. Legionellabesluit. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.zorg-en-gezondheid.be/Legionellabesluit.aspx
  10. Agentschap Zorg en Gezondheid. Richtlijnen Infectieziektebestrijding Vlaanderen. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.zorg-en-gezondheid.be/richtlijneninfectieziektebestrijding/
  11. Agentschap Zorg en Gezondheid. Meldingsplichtige Infectieziekten. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.zorg-en-gezondheid.be/meldingsplichtigeinfectieziekten/
  12. Agentschap Zorg en Gezondheid. Eisenkader voor de chirurgische patiënt. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.zorg-en-gezondheid.be/Beleid/Procedures/Ziekenhuizen/Eisenkader-voor-de-chirurgische-pati%C3%ABnt/
  13. Agentschap Zorg en Gezondheid. Eisenkader voor de internistische patiënt. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.zorg-en-gezondheid.be/Beleid/Procedures/Ziekenhuizen/Eisenkader-voor-de-internistische-pati%C3%ABnt/
  14. World Health Organization (WHO). WHO Guidelines on Hand Hygiene in Health Care. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://whqlibdoc.who.int/publications/2009/9789241597906_eng.pdf?ua=1
  15. Vlaams Indicatorenproject (VIP2). Basisvereisten handhygiëne ziekenhuisbreed. Geraadpleegd op 4 februari via http://www.zorg-en-gezondheid.be/uploadedFiles/Zorg_en_Gezondheid/Beleid/Kwaliteit_van_zorg/Kwaliteitsindicatoren_Vlaamse_ziekenhuizen/Fiche%20A6%20Basisvereisten%20Handhygi%C3%ABne.pdf
  16. Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Handhygiëne. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.health.belgium.be/eportal/Healthcare/Healthcarefacilities/HospitalInfectionControl/FEDERALPLATFORM/Handhygienics/index.htm
  17. 19 JUNI 2007 – Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen. Geraadpleegd op 4 februari 2015 via http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&table_name=wet&cn=2007061933
  18. Zingg W, Holmes A, Dettenkofer M, Goetting T, Secci F, Clack L et al. Hospital organization, management and structure for prevention of healthcare-associated infection: a systematic review and expert consensus. Lancet Infect Dis 2014 Nov 11. pii: S1473-3099(14)70854-0. doi: 10.1016/S1473-3099(14)70854-0. [Epub ahead of print]
◄ Terug naar inhoud

Wetenschappelijke agenda

  • Oktober 2019
  • van 2/10 tot 6/10 || in Washington
    Infectious Diseases Society (Id)WEEK
  • 3/10
    Colloque Hygiène
  • November 2019
  • 28/11
    Symposium BICS
  • December 2019
  • van 16/12 tot 17/12 || in Parijs
    39ème Réunion Interdisciplinaire de chimiothérapie anti-infectieuse (RICAI)
Bekijk de volgende evenementen

Schrijf ook een artikel !

Vacatures

Onze partners

Flux RSS

Subscribe

REDACTIE

Ontdek de andere online nummers van het tijdschrift

Het volledige archief

Ontdek onze speciale dossiers

Uitwisseling van ervaringen